Husselen met de tijd

Jeanette Winterson: De tijdhoeder. Uit het Engels vertaald door Ineke Lenting. Pimento, 368 blz., € 16,95

Ergens in het Britse groen, verscholen tussen de bomen, staat een vervallen landhuis met een wonderlijke naam: Strengelweer. In het huis woont een meisje, Zilver van elf, met haar schonkige heks van een tante. Haar ouders zijn een paar jaar terug op mysterieuze wijze verdwenen. Ze wordt sindsdien behandeld als voetveeg. Tijdens haar werkzaamheden wordt ze in de gaten gehouden door een vals konijn dat Bigamist heet.

Een konijn, en niet, zoals je verwachten zou, een kat – de kat komt later, verderop in het boek. Jeanette Winterson, die vooral naam maakte met haar roman The Passion, tracht in haar eerste boek voor kinderen aan te haken bij de levendige Britse traditie van fantasieverhalen. Een enkele maal verwijst ze zelfs nadrukkelijk naar een van haar voorbeelden, zoals naar J.M. Barrie’s Peter Pan.

De vraag is wat Nederlandse lezers van onder de twaalf met dit soort verwijzingen aanmoeten, en met andere typisch Engelse elementen (wat eten we vanavond? Pad in het gat!), maar dat is bij lange na niet het hinderlijkste aan dit boek. De Tijdhoeder wekt de indruk dat Winterson denkt dat er een recept bestaat voor een geslaagd kinderboek – je keilt er het een en ander aan ingrediënten in, een wees, een magisch apparaat, wat natuurkunde en o ja, een scheut moraal natuurlijk én een hoop gekkigheid – en dan is het een kwestie van husselen.

Het uitgangspunt van Winterson is nog niet eens zo slecht: de tijd is op hol geslagen, de regering zit met de handen in het haar, er is een erg fout bedrijf dat tijd inkoopt of steelt van mensen die uren verspillen met niets doen, om het door te verkopen aan hen die het altijd druk hebben… En o ja, er is ook nog een erg gemene klokkenmaker uit een duister verleden die op zoek is naar een apparaatje dat de tijd stuurt en waarover het meisje Zilver zonder het te weten beschikt (de tijdhoeder)… en er rolt af en toe iemand in een zwart gat… en er zijn domme dieven op pad… en een onderaards volk… en een piraat… en verrek, er is dus een kat – die van Schrödinger.

Maar het is niet doordacht, het is slordig, interne logica ontbreekt. Keer op keer wordt de quantummechanica erbij gehaald, keer op keer wordt daarvan het een en ander onhandig en saai uitgeduid, en keer op keer strookt wat er vervolgens gebeurt niet met de gegeven wetten. Een enkel goed gelukt beeld – een schuifelende mammoet langs de hedendaagse Theems bij nacht – kan het boek niet redden. „Een kinderboek moet waar zijn, en nergens gelogen”, zei Annie Schmidt. Jeanette Winterson jokt.