Het wijnwieggevoel

‘Openbaringen’ is ....

Ik was weer eens op de ijsbaan en draaide mijn rondjes. Heldere avond. Je zou kunnen denken: een paar graden vorst, lekker droog vriesweer – maar het vroor niet en er hing ook geen vrieslucht, behalve dan de kunst-vrieslucht die van het kunstijs opsteeg. De zwarte sparren stonden zoals altijd weer stil toe te kijken in de ene bocht. Een grote witte volle maan hing boven de volgende bocht. En op het middenterrein waren de lichtjes aan. Sfeer! Kunstsfeer, maar toch. Van het rondjesrijden kun je dan hele ronde gedachten krijgen. Als de klimatologen gelijk hebben en als het op de wereld warmer wordt, dan moet er dus steeds meer verstookt worden om ijs te maken, waardoor het op de wereld nog warmer wordt, waardoor er nog meer verstookt moet worden om kunstijs te maken – en zo verder: door het verlangen naar ijs verdwijnt het ijs.

Nog zo’n ronde gedachte: hoe meer kunstijs, hoe groter het verlangen naar natuurijs. Want kunstijs is niet veel meer dan een paar centimeter dikke laag ijs op een ondergrond van asfalt of beton. Laminaatijs. Je ziet geen doodgevroren vissen in het ijs, geen wuivende planten op de bodem, stilgevallen in hun gewuif, geen luchtbellen, geen diepte. En je hoort ook niet het licht krakende, licht schuivende geluid dat natuurijs op een brede sloot of een uitgestrekt meer geeft, met een licht rinkelende ondertoon, bijna als van een banjo, of van een kristallen bel, of van een stem die onder de ijsplaat door lijkt weg te zingen om ergens verderop te sterven. Kunstijs zingt niet. Kunstijs krast en schaaft en schuurt. Sinds een jaar of tien klinkt daarbij ook een droog slag- en tikwerk, dat in de loop der jaren steeds luider en ritmischer is geworden: een driftig klepperen, gevolg van het toenemend aantal klapschaatsen op de baan. Ook mooi. Alsof er een vlucht ratelaars voorbijvliegt.

Een nieuwe winter en een nieuw geluid. Het zal wel toeval dat de poëziekalender (van Menno Wigman en Alfred Schaffer) voor die dag een schaatsvers bevatte, van J.A. dèr Mouw (1863-1919), uit een tijd waarin er nog geen kunstijs bestond, en ook nog geen klapschaats. Hij moet het omstreeks 1915 hebben geschreven. Een oude winter, en een oud geluid: ‘Dof violet is ’t west en paarsig grijs. / Nog wandel ’k door het zwaar berijpte gras, / en hoor naast me op de vaart het fijn gekras / van schaatsen over ’t hol rinkelend ijs.’

Hol rinkelend ijs: dat is precies de goede omschrijving voor het geluid dat natuurijs maakt als er iemand overheen schaatst. Dèr Mouw vertelt, op een alledaagse verteltoon, dat hij in de schemering, met uitzicht op een violetpaarsgrijze zonsondergang, naast een bevroren vaart loopt, met zijn schoenen door het zwaar berijpte gras. Naast zich hoort hij het krassen van een schaatser. Dan volgt een mooie overgang. Hij loopt dan wel door het stijve gras, in de koude vooravond, maar door het horen van de kras- en rinkelgeluiden is het net alsof hij zelf ook aan het schaatsen is, maar dan intern of innerlijk – of hoe noem je dat: ‘ik heb ’t gevoel, of ’k op ’t bevroren glas / cirklend, zwevend, zwenkend op kunst’ge wijs, / met ’t buigend bovenlichaam daal en rijs: / ’t is in mijn rug, of ’k zelf op schaatsen was.’

De sensatie moet bekend zijn, niet alleen aan dichterlijke wandelaars rond het jaar 1915, of aan lezers als ik, die toevallig op het moment van lezen een uur op de ijsbaan achter de rug hebben en sowieso, ook zonder poëzie, wel voelen in hun rug en andere spieren ‘of ’k zelf op schaatsen was’, maar ook aan al die tv-kijkers die door alleen maar te kijken naar het schaatsen het gevoel moeten hebben zelf ook even mee te schaatsen.

Zou er een woord bestaan voor dit interne meebewegen? Ik moet denken aan een beeld dat ik eens in een gedicht van Willem Jan Otten heb gevonden. Het gaat over Odysseus die na tien jaar oorlog in Troje en tien jaar van omzwervingen weer thuis is, en zich nu in zijn hoofd, in zijn halfslaap, doezelend bij een haardvuur afvraagt wat er allemaal gebeurd is en wie hij zelf nu eigenlijk is. Hij zit, maar hij voelt na al die jaren op zee de deining nog in zijn benen, en in zijn hoofd. Hij is een hoofd vol golven, vol indrukken, nog niet geordend. ‘Ik ben een glas / dat neergezet zijn wijn / voelt wiegen langs / zijn binnenkant.’ Spreken wij van het wijnwieggevoel.

Zo moet Dèr Mouw zich ook ongeveer gevoeld hebben, lopend langs de vaart, met die geïnternaliseerde schaatsbewegingen in zich. Het doet hem aan iets anders denken. Zoals hij, door alleen maar te luisteren naar het schaatsen, van binnen een schaatser wordt, zo zou de lezer van zijn verzen, door hem alleen maar te lezen, dezelfde sensaties moeten kunnen beleven als hij. Hij zou daar allerlei beelden voor kunnen kiezen, maar hij kiest natuurlijk voor het beeld dat daar, in het zwaar berijpte gras, onder de dof violette en paarsgrijze avondhemel, het meest voor de hand ligt: de dichter als schaatser, en de lezer als toehoorder en toeschouwer: ‘Zo hoop ’k dat, langs wiens geest mijn verzen glijen, / alleen, in paren, of in lange rijen, / schomm’lend op maat en rijm van hollands staal, // dat hij de wind, die mij droeg, zelf hoort waaien, / en ’t fijne slieren en ’t heerlijk brede zwaaien / voelt van zijn eigen stemming in mijn taal.’

Het mooie vind ik dat het hem niet zozeer gaat om de overeenkomst in de handeling van het schaatsen en schrijven (ijzer op ijs, pen op papier, krassen, zwenken, ophaal en neerhaal), maar om het bijbehorende gevoel. Als het goed is, dan kunnen wij, lezers, de wind die hem voortblies ook zelf voelen, en zelfs horen waaien. Het is hier vermoedelijk niet verboden om bij wind niet alleen aan de voor schaatsers zo prettige rugwind te denken, maar ook aan een meer figuurlijke wind: inblazing, inspiratie, de geest. Als wij Dèr Mouw lezen worden wij even verplaatst naar zijn ziel. Dat is al een mooi geval van tijdelijke vereniging, maar Dèr Mouw hoopt op meer: dat de lezer het fijne slieren gaat voelen, en het heerlijk brede zwaaien, en dan niet het slieren en zwaaien van de dichter, maar van zijn eigen stemming. Dan heeft Dèr Mouw, ofwel Adwaita, ofwel de Tweeheidsloze, zijn doel bereikt: verzoening van tegendelen. Dichter en lezer gaan samen op in een hogere eenheid.

Ik lees het sonnet nog eens en merk dat ik ga staan, mijn windjack weer dichtrits, de diepe zithouding aanneem en met de kalender in de hand zomaar fijn wegslier en heerlijk breed wegzwaai, veel beter dan het ooit is gegaan op de Jaap Edenbaan. Gedroomd schaatsenrijden, op gedroomd natuurijs. En houd ik even mijn benen stil, dan hoor ik de glasmuziek van het hol rinkelende ijs.