Het vissekomgevoel

Ten zuiden van Groningen staat de stadsvilla Wall House, ontworpen door architect John Hejduk. In ieder vertrek word je je er bewust van jezelf. Kunstenaars die er als artist-in-residence wonen laten zich erdoor inspireren.

Wall House foto Christian Richters SCANNERMAKER: AGFA SCANNER: DUOSCAN T1200 SOFTWARE: BW-TIFF Version 2.46 Richters, Christian

De deur slaat dicht, en even lijkt het huis een lichaam dat me heeft opgeslokt. Ik sjouw mijn weekendtas de trap op, waar een lange gang wacht en waar de nauwelijks ingerichte ruimte is. Buiten jagen wolken over het opgezweepte Hoornse Meer, binnen zijn de overheersende kleuren wit en grijs. Wanneer voetstappen de stilte doorbreken, hebben ze een dreigende naklank.

John Hejduk (New York 1929-2000) was geen architect van comfort. Hij was een theoreticus die experimenteerde met residential typology: de wijze waarop ruimte-indeling de woonbeleving beïnvloedt. In tekeningen, maar ook in gedichten, boog hij zich over de functie van de muur, het oppervlak, en het contrast tussen gesloten en open, privé en publiek. Een groot deel van zijn werk werd nooit gebouwd. Ook het Wall House, de tweede in een reeks van drie, leek dat lot beschoren. Het werd begin jaren zeventig ontwikkeld, maar nooit volgens plan in Connecticut gerealiseerd. Dertig jaar later kwam onder Hejduks toezicht een licht aangepaste versie tot stand. In 2001, kort na zijn dood, werd de stadsvilla eindelijk opgeleverd, ten zuiden van Groningen.

In dit polemische gebouw zal ik twee dagen doorbrengen. Slapen, werken en leven – voor zover mogelijk. Net als de acht fotografen die voor het Noorderlichtproject Thought Provoking, Sense Provoking het Wall House een dag of tien op zich laten inwerken. Niet op zoek naar de perfecte architectuurfotografie, maar naar de persoonlijke blik, waartoe Hejduk wilde dwingen.

Als je komt aanlopen, zie je al dat dit een dwars gebouw is. In het krap bemeten Nederland beslaat het Wall House een grasveld waarop een blok rijtjeshuizen had gepast. Toch biedt het slechts ruimte aan twee bewoners. De ruggegraat van het huis bestaat uit een grauwe muur van 18 bij 14. Aan de voorkant zijn drie losse koektrommels gemonteerd die ogenschijnlijk in het luchtledige bungelen; een plafond is daardoor nooit de vloer van de ruimte erboven. Uit de achterkant van de muur loopt de lange gang die overgaat in een trappenhuis en een werkkamer. Twee Duplo-blokken bevatten douche en toilet, door een hoge koker wentelt zich een nauwe trap.

Hejduk isoleerde de ruimte

naar functies, en rangschikte ze op een bijna kubistische manier. Zijn opzet was ingesleten patronen te ondergraven. De ingang zit aan de (gevoelsmatige) achterkant, transparante corridors verbinden de compartimenten, de interne afstanden zijn groot. Een kamer betreden wordt een bewuste keuze, waarbij buitenwereld en bewoner met elkaar geconfronteerd worden. Sowieso nodigen de grote raampartijen uit tot oer-Hollands naar binnen gluren.

Inspireert dat? De Duitse fotograaf Thomas Kellner nam Hejduks deconstructie en deconstrueerde die nog verder. In lijn met foto’s die hij maakte van de Big Ben en de Notre Dame, knipte hij het Wall House in stukken en zette het naar believen weer in elkaar. Beth Yarnelle Edwards gebruikte de verschillende ruimtes om het leven van de links-intellectuele yup te ensceneren – maar ook legde ze haar onrust vast. Ik zie vooral spoken. Tussen de muur en de compartimenten flappen de duiven, en wanneer ik een melodietje neurie krijg ik het gevoel dat mijn eigen stem me op de hielen zit. In de beneden gelegen slaapkamer kijkt de buitenwereld mee. Nog dieper verdwijnt de trap in een duister gat naar nergens. Er hangt een weeë geur van schimmel en vocht. Van onderbewuste krochten.

Ik probeer te werken aan een roman, maar doe het maar eens. Het is vroeg donker, buiten, en hier binnen heerst die akelige stilte. Maak je zelf geluid dan wordt het niet door zachte materialen opgenomen, maar weerkaatst het van muur tot muur.

Vanuit de woonkeuken is de omgeving nu nauwelijks meer te zien. Gekromde ramen tonen een lachspiegelversie van het interieur en van mezelf. Ik zie iemand die vreemd beweegt en er verwrongen uitziet, zodat ik maar op hem blijf letten. Daarachter zijn de ogen van de onzichtbaren. Druk ik mijn neus tegen het raam dan zie ik meer, maar word ik ook meer gezien. Over de kade loopt een tegen de wind leunende schim. Het bijbehorende keffertje draait nauwelijks zichtbaar zijn drollen. Ik heb het gevoel dat ze naar me kijken. En dan te bedenken dat Wall House #2 oorspronkelijk in een bos had moeten staan. Met beren en ander geboefte.

Ik merk dat ik het liefst rondloop. Niet alleen omdat de afstand tussen de afzonderlijke ruimtes dat vereist, maar ook voor de schijn van ongrijpbaarheid. De buitenwereld kan me zo niet met gemak bekijken, wegen en beoordelen. Zeker in de slaapkamer heb je het gevoel dat je een object bent, dat achter glas is tentoongesteld. Ver weg van de enige uitgang, dringt de buitenwereld zich op door de ramen. Iets onbestemds dat bepotelt en betast.

In strijd met de opzet van het gebouw, zijn daarom gordijnen opgehangen. Ik heb ze bij binnenkomst opengerukt.

De eerste artist in residence, Javier Marchán, werd langzaam gek van het vissekomgevoel. Beth Yarnelle Edwards worstelde met de afstanden en de steile wenteltrappen. Theorie is de vijand van de praktijk. Wat vaak het probleem is met experimentele architectuur: het onmenselijke ervan.

Ik denk aan twee foto’s die Edwards hier maakte. Gewoonlijk ensceneert de Amerikaanse een bijna plastic suburbia, maar sommige Wall House-foto’s nemen een meer sinistere wending. De eerste toont de lange witte gang, met vaag, in de verte, een steppend kind (of een gnoom, of Yoda). Zo lijkt het huis een witte versie van het verlaten berghotel uit The Shining, waar Jack Nicholson moorddadig zijn verstand verloor, en zoonlief rondracete op een driewieler. De tweede foto toont een vrouw die ’s avonds zit te relaxen in een stoel. In een hoek zien we het silhouet van een man achter gordijnen. Niet zonder reden is de foto genomen in de te zichtbare slaapkamer. Een onvervalst Hitchcockmoment.

Ook bij mij roept het huis het idee van een thriller op, maar dan van een bovennatuurlijke. Bill Jacobson is de fotograaf die bij dat sentiment past. De Amerikaan werd bekend dankzij bewust onscherpe straatbeelden van New York: foto’s met een poëtische, expressionistische kwaliteit. Later maakte hij spookachtige portretten in zwartwit: gezichten die slechts vaag door het papier heen sijpelen, van gene zijde de onze in. Het is niet moeilijk me die figuren voor te stellen. Dáár, in een stoel die vanuit de gang maar half zichtbaar is. Of beneden: een man die in bed zijn laatste adem uitblaast. Als rook uit zijn eigen mond dwarrelt zijn lichaam naar het plafond, om daar uiteen te waaieren. Naast het bed ligt een groot wit ei – groot genoeg om een volgende volgroeide schijngestalte voort te brengen.

Maar dan opeens, in de enige gevulde kamer, zie ik een foto van een vrouw met een haarband en een zonnebril. Ze lacht, en in de achtergrond bloeien rozen. Het is een kiekje in een Blokker-lijst – maar wat een opluchting! Als ik in bed kruip, denk ik daar maar aan. Een vrouw, en bloemen, en zomer...

Wanneer ik wakker word,

is het net of tijdens de onrustige nacht een nieuw gebouw is opgericht. De hele sfeer is omgeslagen. Overal is zonlicht en als ik nu rondloop is het voyeurisme wederzijds. Het is een vrolijk soort bekijken, met open vizier. Iemand zwaait en ik zwaai terug. Niet dat we op gelijke voet staan. Wie buiten loopt is ingesteld op bekeken worden, wie binnen is verwacht afscherming. Maar na een dag is die verwachting deels afgesleten.

Op zo’n zonnige ochtend doet weinig denken aan de beklemmende verlatenheid van het berghotel in The Shining. Ervoor in de plaats gekomen is het rustgevende minimalisme van Japan, van Zen, van design. Een gevoel dat Edwards wist te vangen op andere foto’s uit haar reeks. Groepjes mensen converseren gemoedelijk. Over kunst en het leven, lijkt het.

Even voel ik me een ontzettende aansteller. Er valt hier prima te werken, te leven en na te denken. Maar dat bewijst vooral dat de leegte en de open structuur het Wall House tot een canvas maken. Sfeerbepalend zijn de omgevingsfactoren en de ideeën die je zelf op de ruimte projecteert. Zeg maar: de architectuur van je denken.

De vertrouwde layout van een normaal huis ervaar je slaapwandelend: de ene veilige kamer komt netjes uit in de volgende, precies zoals je verwacht. Bovendien is het karakter vastgelegd middels meubels en prullaria. In een lege slaapkamer, waarin je bovendien moet afdalen, wringt iets. En wanneer ramen geen gewone ramen zijn – omdat ze te nadrukkelijk op functiehoogte zitten, of gekromd zijn, of te groot – ga je stilstaan en kijken. Je wordt je bewust van zichtbaarheid en onzichtbaarheid, van voyeurisme, en van ingesleten verwachtingen. Maar vooral toch van jezelf. Je angsten – of een gebrek daaraan.

Op verschillende manieren kun je daar verhalen van maken, en dat is juist wat John Hejduk wilde. Inspireren. Gedachten voeden. De fotografen hebben straks allemaal hun eigen Wall House gecreëerd. Misschien zelfs meer dan één. Ik, voor mijn part, heb in elk geval al een paar verse beelden meegenomen.

Werk van Thomas Kellner, Bill Jacobson, Beth Yarnelle Edwards, Isabelle Hayeur, Wijnanda Deroo, Danwen Xing, Mitra Tabrizian en Anoek Steketee wordt in de zomer 2007 gepresenteerd in een fotoboek en -tentoonstelling in de Noorderlicht Fotogalerie. Wall House #2 biedt tegelijkertijd een expositie rond de architect John Hejduk.

    • Auke Hulst