Heroïek

Toen ik gistermorgen uit mijn raam keek, besefte ik dat er die dag voor mij als columnist een heroïsche taak was weggelegd. Daar lag een bedreigde stad. Voetgangers klampten zich aan brugleuningen vast, fietsers werden uit het zadel geblazen, auto’s zochten als blinde mollen hun weg, sirenes loeiden in de verte.

Iemand moest dit opschrijven – die iemand was ik.

Ik hees me in mijn waterdichte oliepak, drukte mijn zuidwester diep over de oren en trok mijn lieslaarzen aan. Ik was bereid. Helaas was er niemand thuis voor een laatste groet – maar ik wist dat iedereen in gedachten bij mij was.

Daar ging ik, althans, daar wílde ik gaan, want halverwege de trap schoot me te binnen dat ik de kat nog eten moest geven. Terug. Ze zat in de keuken al ongeduldig miauwend te wachten. De enige natuurramp die een kat kan overkomen, is een lege voederbak. Ze keek omhoog langs mijn oliepak en ik zág haar denken: „Volledig geschift.”

Toen ik eindelijk op straat tegen de loeiende wind mocht optornen, voelde ik, behalve trots, ook een schrijnend gemis. Eigenlijk, bedacht ik, zouden mijn bewegingen nu moeten worden vastgelegd door zo’n kleine cameraploeg voor de NRC-website. Liefst live. New Orleans in Amsterdam! Dát was nog eens moderne journalistiek. De lezers zouden toestromen! De vorige keer had ik op zo’n filmpje met stijve kuiten tegen een bal getrapt op het Balboaplein in Amsterdam-West, maar dat had niet tot een opzienbarende aanwas van abonnees geleid – eerder het tegendeel.

Daar liep ik dus. Ik had mijn leven veil voor vaderland en lezers – in die volgorde – en niemand die het zag. Maar ik kon al niet meer terug: de storm was een onzichtbare hand in mijn rug die mij voortjoeg. Bij de Westerkerk bleken de haringkar en bloemenstal gesloten. Nooit eerder had ik dit op een doordeweekse dag meegemaakt, een onheilspellender signaal was niet mogelijk.

Opeens pakte de orkaan mij onder mijn oksels en gooide me het fietspad op. O camera, waar was je! Normaal gesproken zou ik op dat moment zijn gesneuveld. Want fietsers, bromfietsers en scooters rijden in Amsterdam altijd door – wat er ook op hun weg komt. Nu was het fietspad zó verlaten dat ik weer moeizaam op de been kon komen.

Weifelend zette ik koers langs de Prinsengracht. In de verte lag een boom als een uitgeputte reus dwars over een boot. Een deel van de Keizersgracht was al afgezet. In de deuropening van een oud, vervallen pand verscheen een blonde politieagente. Ze zette enkele stappen buiten de deur, maar op dat moment begonnen boven haar de dakpannen omlaag te storten. Ze verstarde, terwijl niemand minder dan de dood op de stoep om haar heen uiteenbarstte. Toen vermande ze zich, en glipte terug naar binnen.

Om van de schrik te bekomen, stapte ik bij een antiquaar binnen en kocht enkele veel te dure boeken. Sceptisch luisterde hij naar mijn verhaal. „Sommige huizen hier zijn zó oud”, zei hij. „Laatst kreeg ik bijna een vallend kozijn op mijn kop, en toen waaide het niet eens. Waarom blijft u niet binnen?”

Beschaamd en voorzichtig keerde ik huiswaarts. Misschien toch beter dat er geen camera in de buurt was.