Gestolen zielen

Foto’s van dode mensen zijn vaker geëxposeerd. Maar dan ging het om een historisch of menselijk verhaal. Wie, zoals Foam nu, doden presenteert buiten hun context, in de stijl van een hippe modereportage, maakt van mensen een kermisattractie.

Enrique Metinides: ‘Dressmaker, 1977’ © Courtesy The Photographers’ Gallery, London Courtesy The Photographers’ Gallery, London

Een man ligt achterovergekruld in een urinoir. Hij heeft zijn handen in de zakken van zijn jas gestoken. Zijn hoofd steekt net buiten de metalen rand van het urinoir uit. Alleen zijn kin en één oor zijn zichtbaar. Naast hem ligt een geruit petje op de grond. De bruine binnenvoering van het hoofddeksel heeft dezelfde kleur als het leer van de schoenen aan zijn voeten. Hij is dood. Was het moord? Stierf hij een natuurlijke dood? We weten het niet. ‘1980. Lijkvinding in urinoir, Zuid’, staat erbij. Verder niets.

Zo worden alle foto’s op de tentoonstelling Plaats Delict Amsterdam in het Fotomuseum Amsterdam (Foam) gepresenteerd. Bij ieder treurig, gruwelijk of misselijkmakend beeld van een levenloos lichaam worden slechts karige feiten vermeld: ‘1967. Zelfdoding’; ‘1969. Slachtoffer overdosis.’

Ook zijn er beelden zonder lijken waar het begeleidende feitelijke zinnetje ineens het ergste doet vermoeden. Zoals een scheef hangend lampje aan een muur met bloemenbehang en de tekst: ‘1983. Interieur na mishandeling, Osdorp’. Of de twee bebloede witte damespumps op het asfalt met: ‘1982. 1 januari, verkrachting, Bos en Lommer.’

„Het is leuk om dit soort toegepaste fotografie te laten zien”, zegt Colette Olof, curator bij Foam. Volgens haar groeit de interesse voor dit genre.

De foto’s van Plaats Delict Amsterdam zijn afkomstig uit het archief forensische fotografie van de Amsterdamse politie. Ze dienen als situatieschets of bewijslast voor criminele feiten en zijn gemaakt voor professioneel gebruik. Politiefotograaf Myriam Missana kwam twee jaar geleden op het idee om de foto’s aan een breder publiek te tonen. Ze selecteerde voor Foam alleen foto’s van vóór 1985, omdat de geheimhoudingsplicht voor het archiefmateriaal pas na twintig jaar vervalt. Beelden waarop mensen te herkenbaar in beeld zijn gebracht, hield ze ook achter.

Het resultaat is gebundeld in eenboek waarin ook foto’s zijn opgenomen uit nachtclubs, hotelkamers, coffeeshops en privéwoningen. Met Kerst veroorzaakte dit fotoboek al ophef. Werknemers van politiekorps Amsterdam-Amstelland ontvingen een exemplaar in hun kerstpakket. Meer dan honderd mensen stuurden het boek terug omdat ze het niet vonden bijdragen aan de kerstgedachte.

De expositie in het Foam is beperkt tot 35 beelden waar voornamelijk plaatsen van delict worden getoond: de plek waar een lijk is gevonden of een ongeluk heeft plaats gehad.

Olof selecteerde ‘puur op beeld’. De informatie uit bijbehorende dossiers liet ze bewust weg. De foto’s moeten alleen naar zichzelf verwijzen. „Doordat de foto’s zijn gemaakt door professionals, zitten er echt interessante beelden tussen. Bij sommige foto’s zie je in eerste instantie niet eens dat het om iets verschrikkelijks gaat. Het had ook deel kunnen uitmaken van een modereportage.”

Inderdaad. Veel foto’s

– goed ingeflitst, met lekkere, felle kleuren en vooral een beetje rommelig van opzet – hebben de stijl van hippe reportages. Zo zou je kunnen denken dat het zuurstokroze joggingpak van het lijk, dat met zijn kop in de wasbak hangt, misschien wel het laatste H&M-ontwerp is van Madonna. Of dat de man in het urinoir voor de gelegenheid een heel hip vintage-jasje heeft aangetrokken. Alleen het prijskaartje ontbreekt nog.

Je zou het kunnen denken. Alleen: deze beelden gaan niet over stijl en imago. Ze gaan over de dood en de wreedheid van het bestaan. Dat de politie, als er sprake is van een delict, het aangetroffen lichaam moet fotograferen, is begrijpelijk. Maar de functie van die foto’s komt geheel te vervallen, zodra ze in een kunstmuseum terechtkomen. Dan gaat het alleen nog om het beeld zelf.

De vraag is of een sensationeel plaatje waar je, tussen de veilige muren van het museum, lekker om kan huiveren, onder de noemer kunst valt. Er zijn natuurlijk vaker foto’s van lijken in expositieruimtes opgehangen. Neem de bekende, verstilde foto die de Amerikaanse fotografe Lee Miller in 1945 maakte van een dode Duitse soldaat die, vlak na de bevrijding, in het concentratiekamp Dachau wordt neergeschoten en in het kanaal wordt gedumpt. Het is een mooi maar huiveringwekkend beeld. Je beseft: dit is echt gebeurd. Vastleggen van geschiedenis hoort nu eenmaal bij persfotografie. Maar hoe zit het met beelden van lijken die in een museum hangen en niet verwijzen naar een bredere, historische context?

Neem de bizarre foto

getiteld Man Without A Head (1993) van de Amerikaanse kunstenaar Joel-Peter Witkin (1939): een witte, dikkige man zit piemelnaakt op een stoel. Op de plek waar ooit zijn hoofd zat, zit een gapend gat. Hij heeft zijn sokken nog aan. Witkin, die geregeld lijken in mortuaria fotografeerde en daarvoor vaak naar Mexico afreisde waar dat eenvoudiger te regelen was, schreef erover: „Ik wilde graag de eenzaamste foto uit de geschiedenis maken.” Dat is hem gelukt en het resultaat is gruwelijk, mooi en lachwekkend tegelijkertijd; een katalysator van tegenstrijdige gedachten en gevoelens.

Iemand die met zijn beelden tussen pers- en kunstfotografie invalt, is de

Mexicaanse fotograaf Enrique Metinides (1934). Van de jaren ’40 tot ’90 maakte hij voor La Prensa, de grootste sensatiekrant van Mexico, beelden van dodelijke ongelukken. Metinides fotografeerde de dood vaak van dichtbij, meestal overdag, met behulp van een groothoeklens en met flitslicht, waardoor alle schaduwen wegvielen en zijn foto’s een filmisch effect kregen.

Begin jaren ’90 begon de kunstwereld zich te interesseren voor zijn werk. In 2004 en 2005 waren zijn foto’s te zien in de expositie Schitterend Ongeluk in de Kunsthal in Rotterdam. Vorig jaar had hij zijn eerste solo-expositie in de VS.

De reden dat zijn werk tot kunst is verheven heeft er onder meer mee te maken dat veel van zijn foto’s, net als in Witkins geval, de toeschouwer prikkelen tot nadenken over leven en dood.

De religieuze symboliek van de foto die hij maakte van Jesus Bazaldua Barber is overduidelijk. Deze monteur, die werd geëlektrocuteerd terwijl hij een telefoonlijn aan het repareren was, fotografeerde hij van onderaf. De man ligt ruggelings uitgestrekt over de elektriciteitsdraden, zijn armen gespreid, alsof hij Jezus is, zonder kruis.

Ook de blonde dame, die Metinides in al haar weerloze schoonheid fotografeerde op het moment dat ze om een lantaarnpaal ligt gekruld nadat zij is aangereden, lijkt door goddelijke inmenging van het leven te zijn beroofd.

Metinides was, en is nog steeds, geobsedeerd door de grilligheid van het menselijk lot. Daarom fotografeerde hij vaak omstanders bij een ongeval. Hun ernst, overdreven stoerheid of ontzetting toont hoe zij de stille getuigen zijn van een ongeluk dat ook hen had kunnen overkomen.

Bovendien gaf Metinides tekst en uitleg bij zijn beelden. Hij gaf zijn doden niet alleen een gezicht. Hij noemde hun namen. Bovendien gaf hij geregeld een inzicht, hoe summier ook, in de tragiek van hun bestaan. Bij het beeld van Bertha Ibarra Garcia, een kleermaakster die zichzelf had opgehangen aan de hoogste boom in het Chapultec-park, omdat haar man met haar dochter bij zijn minnares was gaan wonen, noteerde Metinides dat ze „in haar handtasje een foto had van haar dochter en een briefje waarop stond geschreven dat niemand schuldig was aan haar dood.”

Met die weinige woorden raakt hij grote thema’s als liefde, verdriet, haat, wraak, onmacht en vergeving. Ze geven aan dat ene troosteloze beeld diepgang.

Dat kan je niet zeggen van

beelden die, zoals bij Plaats Delict Amsterdam, zonder uitleg uit hun context worden gerukt. Het zijn technisch uitstekende foto’s, vaak met een goed gevoel voor compositie, die uiteindelijk niet meer zijn dan ze zijn: de vastlegging van de dood voor forensisch onderzoek. Dat sommige van die lijken een funky outfit hebben of toevallig zijn gefotografeerd tegen de achtergrond van een hip retro-behang, geeft dit soort beelden echter geen enkele meerwaarde. „Wat mij zorgen baart is een massagemeenschap die zo welvarend is geworden dat elk gevoel voor tragiek verloren is gegaan”, zei de Amerikaanse schrijver en journalist Robert Kaplan zei in 2001 in een interview met De Groene Amsterdammer. „Van filosofen leer je dat het goed is voor de mensheid om ergens voor te strijden. Als we nergens meer voor hoeven te vechten, dan wordt niks meer serieus genomen en verandert alles in een grote game show.”

Dit is het geval met de foto’s van Plaats Delict Amsterdam. Door het menselijk kwaad en onheil te presenteren als een modereportage, worden de beelden loskoppeld van iedere betekenis. De dode vrouw, die met opgezwollen benen en zonder onderbroek op het toilet wordt aangetroffen, is niemand. Ze lijkt op een kermisattractie. De keuze, om een stel dode mensen zonder uitleg te tonen, is slechts gebaseerd op sensatielust. Het maakt deel uit van de huidige zielloze vergaapcultuur waarbij alles, maar dan ook alles, in beeld moet worden gebracht.

Plaats Delict Amsterdam is tot 25 februari te zien in Foam, Keizersgracht 609, Amsterdam. Info: 020 5516500 of www.foam.nl. Het boek ‘Plaats Delict Amsterdam’ is voor 14,95 euro te koop in de boekhandel.

    • Rosan Hollak