Geen hond die zo praat

In het toneelfeuilleton ‘De Geschiedenis van de Familie Avenier’ van Maria Goos staat haar eigen familie centraal. „De personages begrijpen hun tijd niet.”

Scène uit ‘De Geschiedenis van de Familie Avenier’ foto Leo van Velzen IJmuiden, 09-01-07. Repetitiebeeld uit de voorstelling "De geschiedenis van de familie Avenier" een nieuw stuk van Maria Goos bij Het Toneel Speelt onder regie van Jaap Spijkers. Met o.a. Peter Blok, Marisa van Eyle, Carine Crutzen, Tjitske Reidinga Gijs Scholten van Aschat, Marcel Hensema en vele anderen. Premiere 25 Jan. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Waslijnen hangen kriskras door de kamer, een kolenkachel brandt en er zijn lang niet genoeg stoelen voor iedereen. De sobere jaren vijftig herleven in de schouwburg van Velsen, waar Het Toneel Speelt een try-out houdt. Het gezelschap probeert er voor het eerst De Geschiedenis van de Familie Avenier uit, deel één van wat een vierluik voor het theater moet worden. Een vierluik over een gewone Nederlandse familie, over een periode van vijftig jaar.

Schrijfster Maria Goos situeert aflevering 1 op de valreep van 1955. Het is oudejaarsavond en in een achterkamertje ligt Oma te sterven – of te doen alsof. De familie komt bijeen: Rita, die al jaren voor Opa en Oma zorgt; haar man Jan, die de klanten van zijn kruidenierszaak laat poffen; de caféhouders Christ en Pieternel die naar Australië willen emigreren; hun zoon Theo, ongelukkig verliefd op Saartje; Toos die vergeefs op haar zeeman wacht; weduwnaar Janus die keihard zaken doet; zijn zoon Kleine Janus die z’n vader veracht; en Saar; Jan en Rita’s joodse pleegdochter die het gevoel heeft in de familie te stikken.

Mensen van vlees en bloed gespeeld door geweldige acteurs. Maar in het nagesprek heeft het publiek wel bezwaren. „Het komt zo traag op gang”, „Opa krijgt zo weinig aandacht”, en: „Het was zo slecht te verstaan”, klinkt het vanuit de zaal. Op het toneel spitsen Gijs Scholten van Aschat, Peter Blok en zeven andere spelers hun oren. „De exposé moet duidelijker’’, concluderen ze. „We zullen meer op Opa reageren. En harder praten.”

Goos was ook bij dat nagesprek. Een paar dagen later zegt ze: „Het leuke tijdsbeeld dat we hadden bedacht werd een soort truttigheid. Truttige loopjes, truttige kopjes koffie: dat halen we er allemaal uit. De mise-en-scène gaat op een opera lijken. Zitten, staan en de tekst de zaal in. Dan maakt het publiek het drama mee en kijkt het er niet meer tegenaan als tegen een poppenkast.”

Maria Goos is een huiselijk type.

Ook de pers ontvangt zij aan huis en ze bekent meteen: „Ik ben het gelukkigst als iedereen thuis is, als ik mag schrijven, als het leven om me heen doorgaat en ik het gevoel heb: het gaat met iedereen goed en ik mag even de tijd stilzetten door over alles na te denken.”

Haar huis staat in Amsterdam. Om haar heen een lichte chaos. De nieuwe pc doet het niet. Dochter Roos komt terug van de dokter. Echtgenoot Peter Blok, kruidenier Jan in het vierluik, moet snelsnel ontbijten.

Emoties genoeg in het gezin Goos – de schrijfster van Familie kan uit eigen ervaringen putten. „Ik schrijf altijd over families, groepen, vrienden, milieus”, zegt ze. Het toneelstuk Cloaca ging over vrienden die elkaar verraden, in de televisieserie Pleidooi botsten werk en privéleven van een groep beginnende advocaten, en Oud Geld, ook een tv-feuilleton, was aan een tegen haar ondergang vechtende bankiersfamilie gewijd. „Veel mensen bij elkaar vind ik spannender dan een drama over een eenling. Omdat mensen elkaar zoveel aandoen. Weinigen zijn erop uit de ander te kwetsen, maar toch gebeurt het aan de lopende band, alleen maar uit een tegenstrijdigheid van belangen.”

Hoofdschuddend denkt ze terug aan een try-out van deel 2 van De Geschiedenis van de Familie Avenier, dat zich in 1970 afspeelt. „Na afloop zaten Carine [Crutzen] en Tsjitske [Reidinga] uitgeblust in de kantine. Tsjitske zei: ‘Nou staan we met zoveel mensen op het toneel en nog nooit heb ik me zo eenzaam gevoeld.’ Het komt doordat hun personages de tijd waarin ze leven niet begrijpen. Hun dromen zijn uitgekomen, ze hebben auto, huis en caravan, en toch zijn ze ongelukkig. De nieuwe vrijheid heeft ook onthechtheid gebracht. Er is iets verloren gegaan: een overzichtelijk, simpel leven.”

Inspiratiebron voor aflevering 1

was de familie Nuiten. De neven en nichten van Maria Goos, volkse, directe mensen, Brabanders zonder pretenties. Goos komt zelf ook uit Brabant, uit Breda, waar ze in 1956 werd geboren. „De kolenkachel kan ik me nog wel herinneren. En in een zinken teil in bad gaan voor die kolenkachel. De gang naar Opa en Oma elke week, naar een bovenhuis net als in de voorstelling, met lakens die in de kamer hingen te drogen zodat mensen op visite alleen maar elkaars voeten zagen. Mijn oma ging inderdaad in de winter naar bed. In november stapte ze erin en op 21 maart, haar verjaardag, kwam ze er weer uit. Het bed stond in de kamer en dan moest de familie eromheen plaatsnemen. Ze was heel dominant, iedereen had een hekel aan haar. De schoondochter die bij haar inwoonde was twintig jaar lang een onbezoldigde huishoudster. Tante Rika, in het stuk heet ze Rita, die moest hollen en draven met koffie en thee.

„De matroos Henk die niet terugkwam, dat is ook echt gebeurd. Alleen had ie niet een meisje verkracht, maar zwart gehandeld. Hij had voedsel van de koopvaardij aan de inlandse bevolking verkocht en daar moest ie voor zitten. Het geld dat ie gespaard had stond op een depot en dat beheerde mijn vader. Jan in de voorstelling heeft een kruidenierszaak, mijn vader had een smederij en die heeft het gespaarde geld van zijn broer in de smederij gestopt in de hoop zo een faillissement te voorkomen. De zaak ging toch failliet, die broer kwam terug en het geld was op. Vaak was er ruzie in de familie, een verdwenen theelepeltje kon al een explosie veroorzaken. Maar over dat verdwenen geld is vreemd genoeg nooit geruzied.”

Dat impulsieve van haar familie heeft zij ook. „Hier boven de Moerdijk schrokken ze daarvan. Dus ik ben me gaan beheersen. Alleen als ik me op m’n gemak voel gooi ik er van alles uit. Ook ‘stomme lul!’ enzo, dat vind ik heerlijk.” En wat is voor het theater bruikbaarder: extraverte personages of juist binnenvetters? „Voor het theater zijn figuren die het overzicht niet hebben het mooist. Het publiek is de psycholoog van de gemankeerde karakters op het toneel. Die mensen in de zaal moeten kunnen zeggen: had-ie nou maar zus of zo gedaan. Of: waarom spreekt zij dit en dat niet uit? Theater scherpt je inlevingsvermogen aan. Het geeft je de mogelijkheid jezelf beter te beschouwen.”

Ze hamert nogmaals op de kapotte pc en zegt: „Ik hoop dat mensen over dit vierluik denken: dit was ons voorland. Dit waren mijn tantes. Dit waren mijn grootouders. Wat is er in Nederland veel gebeurd in vijftig jaar!”

Hoe het met Maria Goos

ging in 1970? „Toen begon ik ontzettend opstandig te worden. Samen met mijn moeder! Ik was veertien en zij zestig. Ze was toen drie jaar weduwe en voor ons was de anti-burgerlijke tendens van die tijd een bevrijding. Want aan die burgerlijkheid konden we toch niet voldoen. Wij woonden tussen een betere en een slechtere buurt. In een straat die bij die betere buurt wilde horen. Klimmers zijn echt niet de warmste mensen. Toen mijn moeder weduwe werd ging men daar heel onhandig mee om. Dus zij lag eruit. Dat heeft een grote woede bij haar opgeroepen en dat kwam mij weer goed uit.”

Goos’ schrijverij begon na haar vaders dood. „Mijn moeder raakte in een depressie. Ze zei niks meer en had ontzettende hoofdpijn. Ik was elf en stelde mezelf tot taak: ik wil dat ze weer praat en dat ze weer lacht. We waren thuis nog maar met z’n tweeën. Dus ik vertelde haar verhalen. Zo heb ik ervaren dat verhalen vertellen levensreddend kan zijn. Als het al niet voor mijn moeder was, dan wel voor mijzelf.”

Het moeilijkst bij het schrijven van De Geschiedenis van de Familie Avenier was het vertellen van een coherent verhaal, met zoveel personages. Die coherentie vond Goos in de taal. „Ik heb gezocht naar een Algemeen Onbeschaafd Nederlands. Geen echt Brabants, maar met woorden die atypisch zijn voor deze tijd. Zoals baljaren (schreeuwen) en hompiekurken ( vrijen), en met een afwijkende grammatica. Mijn taal lijkt spontaan, maar in werkelijkheid is er geen hond die zo praat. Bij toneel moet je de taal verhevigen, je moet de emoties verhevigen, anders bereik je het schellinkje noch de gewenste magie.”

Jaap Spijkers, die in Cloaca een ranzige regisseur speelde, regisseert nu zelf. Het vierluik is zijn regiedebuut in de grote zaal. Wanneer is een regisseur goed? „Als ie de bedoeling heeft een stuk tot z’n recht te laten komen”, zegt Goos. „Ik houd niet van regisseurs die dwars op een stuk staan omwille van hun regisseursidentiteit. Daar wordt een stuk zelden beter van. De tekst als transportmiddel voor de regisseur is een nachtmerrie voor een schrijver.”

En wanneer is een acteur goed? „Als ie een diepgaande interesse heeft voor het karakter dat ie speelt. Een acteur moet van elke zin en van elk woord het besef hebben dat een toon hoger of een toon lager een volstrekt andere emotie teweeg brengt. Als je de tekst ook nog eens kunt brengen alsof hij spontaan je bek uitkomt, dan ben je een heel eind.”

En wanneer is een voorstelling goed? „Als het publiek iets meemaakt. Het wil ontroerd worden, het wil lachen, het wil getroost worden. Ja, getroost worden! Dat je ziet dat iedereen ploetert en daarmee probeert te dealen.”

De twee eerste delen van ‘De Geschiedenis van de Familie Avenier’ gaan op 25/1 in de Stadsschouwburg van Amsterdam in première. De delen 3 en 4 volgen in 2008. Inl.: 020-6269550 en www.hettoneelspeelt.nl. Idtv Film brengt een dvd uit met de portretten van de families die voor het vierluik model stonden. Inl.: www.a-film.nl en www.filmwereld.net.

    • Anneriek de Jong