Geen blad voor doemdenker

In Opinio staan geen foto’s, cartoons en advertenties. Volgens geestelijk vader en hoofdredacteur Jaffe Vink is zijn opinieblad „een pleidooi voor de traditie van vooruitgang”.

Jaffe Vink: ,,Het is een pleidooi voor de traditie van vooruitgang.’’ "Foto Jørgen Krielen Jaffe Vink: „In Opinio geen cultuurrelativisme.” Foto Jørgen Krielen Jorgen Krielen/Amsterdam 18-12-2006/ Jaffe Vink Krielen, Jorgen

Bart Funnekotter

De weergoden spaarden gisteren kosten noch moeite om de lancering van het nieuwe weekblad Opinio van de juiste ambiance te voorzien. Als de storm die over Nederland trok een voorbode is van de heftigheid van het debat in dit opinietijdschrift, kan geestelijk vader en hoofdredacteur Jaffe Vink een tevreden mens zijn.

Gisteren gingen de eerste exemplaren van zijn blad gratis mee met het Financieele Dagblad, vandaag worden er 350.000 over het hele land verspreid.

Terwijl de ruiten van het Amsterdamse café Luxembourg trillen in hun sponningen, vertelt Vink over de ongekend snelle geboorte van Opinio, een tijdschrift met enkel opiniestukken: geen foto’s, geen cartoons, geen advertenties. Medio 2006 verliet hij de redactie van het dagblad Trouw, waar hij achttien jaar aan het hoofd had gestaan van de bijlage Letter & Geest. De hoofdredactie kon zich niet langer vinden in de koers die Vink uitzette. Te conservatief, vond men. Dat moest veranderen. Vink: „Ik ben niet met slaande deuren vertrokken. Het is eenvoudig: als je een tijd lang een verschil van inzicht hebt, en het komt niet verder, dan is het op een gegeven moment beter om te vertrekken.”

Vink zocht contact met voormalig Philips-topman Roel Pieper en wist hem zo ver te krijgen een nieuw tijdschrift te financieren. „Een links-conservatief opinieweekblad, een pleidooi voor de traditie van de vooruitgang”, aldus Vink, die veel van zijn auteurs meenam van Trouw naar Opinio. Pieper speelt niet voor suikeroom. Het blad moet een oplage van 15.000 à 20.000 halen om rendabel te zijn.

Vink legt de lat hoog voor zijn nieuwe tijdschrift. „Tweederde van de artikelen op de opiniepagina’s van Nederlandse kranten en tijdschriften vind ik saai en slecht geschreven. Het is brievenbusjournalistiek. Wij spreken ideeën door met de auteurs, we geven kritiek en we herschrijven.”

In het eerste nummer van Opinio maken auteurs en filosofen als Paul Cliteur, Andreas Kinneging, Ayaan Hirsi Ali, Ad Verbrugge en Bart Jan Spruyt hun opwachting: allen apostelen van het nieuwe Nederlandse conservatisme dat na ‘11 september’ is opgekomen. Vink haast zich echter te benadrukken dat Opinio geen blad is van en voor de neoconservatieve parochie. „Femke Halsema is ook welkom op onze pagina’s. Ze heeft al toegezegd een artikel te zullen schrijven.”

Een van de thema’s die in Opinio aan bod zullen komen, is de verhouding tussen het Westen en de islam. Ook in deze discussie zijn wat Vink betreft alle meningen welkom. In het eerste nummer breekt een imam bijvoorbeeld een lans voor het uithuwelijken van vrouwen. Vink: „Het uitwisselen van standpunten is een goede zaak. Dat wil niet zeggen dat we geen mening hebben over wat goed en fout is, wat waar en onwaar. In Opinio geen cultuurrelativisme: een moslim stelt prijs op dezelfde vrijheden die wij hebben. Ook een moslima heeft graag goed onderwijs en kiest het liefst zelf haar echtgenoot.”

Het klinkt allemaal aardig, maar denkt Vink werkelijk dat de bepaald niet eenvoudige artikelen in zijn tijdschrift een bijdrage kunnen leveren aan de modernisering van de islam? Het blijft lang stil aan tafel. Dan: „Ik weet dat dit een moeilijk onderwerp is, maar je moet blijven praten.”

Opinio wordt geen blad voor doemdenkers, zegt Vink. „We willen door vooruitgang van wetenschap en techniek de problemen van milieu en klimaat oplossen, en niet door de behoudzucht van antiek links. We willen geen minister van milieu, maar een minister van technologische vernieuwing.”

Vink wil af van wat hij ziet als de rituele zelfkastijding van veel Nederlanders. „Zo’n storm van verontwaardiging die opsteekt als Balkenende het heeft over de ‘VOC-mentaliteit’. Laten we het debat aangaan over kolonialisme en uitbuiting. Daar liggen nog wat oude denkbeelden te rotten die opgeruimd moeten worden. Altijd dat schuldgevoel over onze rijkdom. Onze rijkdom is geen schuld en geen decadentie, maar een overwinning op de armoede. Het is de droom van onze voorouders die we hebben gerealiseerd. De westerse beschaving heeft zich een weg gevochten uit de ellende. Daar moeten we trots op zijn.”