Geef ons af en toe een kleine ramp

De samenleving krijgt gauw iets knus’, van zo’n storm. Er moeten natuurlijk zo weinig mogelijk doden bij vallen, maar als middel om de boel efficiënt bij mekaar te houden, gaat er niets boven af en toe een middelzware natuurramp.

Ik weet het nog van Friesland, waar ik toevallig even woonde in de barre winter van 1979. Die dagen zijn later nog vereeuwigd in een rijk geïllustreerde speciale uitgave van het Friesch Dagblad, die ze toepasselijk ‘Witboek Friesland’ hadden genoemd, en inderdaad: als je er nu doorheen bladert wil je bijna niet geloven dat de wereld ooit nog eens zó wit is geweest.

In de nacht van 13 op 14 februari van dat jaar viel er zo veel sneeuw, dat je de volgende ochtend zonder doodsverachting de deur niet meer uit kon, aangenomen dat je deur van binnenuit überhaupt nog open kreeg. Het was namelijk niet zo maar sneeuw, maar „een verschrikkelijke sneeuwstorm” geweest, lazen we in de krant. De sneeuw stond tot aan het zolderraam.

Het Friesch Dagblad memoreerde: „De ramplijn schoof snel zuid- en westwaarts. Rond tien uur die woensdagochtend was het hele noorden één witte, stuivende vlakte. En de storm bleef voortrazen, een Siberische muur van sneeuw over de witte woestenij schuivend. Donderdag leek het overdag even rustiger te worden. Maar in de avonduren vormden zich door de harde wind nieuwe sneeuwduinen en -bergen. De toppen in het grillige berglandschap bereikten recordhoogtes van meer dan drie meter. En de gure noordooster ranselde bij temperaturen onder nul de fijne sneeuw onophoudelijk over het vlakke land.”

Alleen al het proza, dat onder zulke omstandigheden meteen adembenemend wordt, bezorgt me nog altijd een warm en dierbaar soort kippenvel. De saamhorigheid in de provincie was onmiddellijk grenzeloos.

Langer dan een dag of drie heeft de noodtoestand niet geduurd, maar ik denk er aan terug als aan een gezellige eeuwigheid. De hele dag Omrop Fryslân in de lucht met berichten over een geïsoleerde hoeve zus, een ernstig zieke koe zo, een voedseldropping hier en een ingesneeuwde automobilist daar, dat wil zeggen tussen Britswerd en Oosterlittens. Je kende al die mensen, dieren en negorijen niet, maar onze solidariteit was groots en meeslepend.

Zelf schuifelde je met levensgevaar naar de kruidenierswinkel die uitpuilde van dorpsgenoten van wie sommigen al jaren ruzie hadden gehad, maar mekaar nu huilend om de hals vielen, terwijl ze pakken havermout insloegen. En op de terugweg gleed je uit (onmiddellijk tien dorpelingen om je heen om je menslievend overeind te helpen; vier kwamen daarbij ook zelf ten val), en hield een door de Bond tegen het Vloeken verboden krachtterm binnen toen in het gedrang een volle fles Beerenburg verbrijzeld bleek.

Eén groot feest van ontwrichting en verbroedering.

En dat moet het gisteren ook geweest zijn. Met honderden tegelijk op het Amsterdamse Centraal Station waar je door naar beneden donderend glaswerk weliswaar ernstig getroffen kon worden, maar waar de Spoorwegen royaler dan ooit koffie en broodjes uitdeelden aan gestrande reizigers. Of in Utrecht met z’n duizenden op door het Rode Kruis ter beschikking gestelde slaapzakken ondergebracht worden in de Jaarbeurs. als in een geïmproviseerde jeugdherberg. En intussen theatervoorstellingen afgelast, Artis gesloten, de site van het KNMI niet meer bereikbaar, schoolkinderen geëvacueerd, oproepen van het Nationaal Crisis Centrum om thuis te blijven onder de keldertrap, plus een speciaal informatienummer (0800 1351) voor mensen wier mobiel uit hun hand is gewaaid.

Het een was nog vervelender dan het andere – maar alles schiep alles een band, het leed was eerlijk verdeeld, voor geen enkele rijke reed een extra trein, we hadden eindelijk weer eens een gemeenschappelijke vijand.

Wat vreselijk eigenlijk, dat het vandaag al weer voorbij is.

    • Jan Blokker