De weldoener is een goeiige snob

Adriaan van Dis’ nieuwste, verassend geëngageerde boek is getiteld ‘De wandelaar’.

Als meester van de zelfspot ironiseert hij het verlangen om ‘iets te willen doen’.

Adriaan van Dis: De wandelaar. Augustus, 224 blz. € 17,90

Schrijvers en honden, het is vaak een onzalige combinatie. Rabiate dierenliefhebbers zullen misschien plezier beleven aan de literaire verwerking van het thema Herr und Hund, de gewone lezer loopt eerder kans zich te ergeren. Hoe erg die combinatie kan zijn, bewees Paul Auster een jaar of zeven geleden. Hij vereeuwigde een denkende viervoeter in een fictieboek (Timbuktu) waar alleen woordspelige critici brood van lustten.

Aan het korte lijstje van geslaagde ‘dogs in literature’ voegt Adriaan van Dis er in zijn nieuwe roman één toe: de naamloze bastaard die zich gewond en geschroeid in de armen werpt van een man die staat te kijken bij een afgebrand illegalenpension in het zesde arrondissement van Parijs. Niet zomaar een man: het is een Nederlander die sinds enige tijd in een appartementje in de buurt woont, een ‘bange grijsaard met een hartkwaal’, gekleed in een houtje-touwtjejas; een man met een voorliefde voor schoenen en maatpakken, luisterend naar de naam Mulder.

Inderdaad: Mulder – de naam waaronder Adriaan van Dis tot aan zijn studietijd door het leven ging. De hoofdpersoon van De wandelaar lijkt in hoge mate een zelfportret van de schrijver. Maar dat is de enige overeenkomst met de romans die Van Dis sinds Nathan Sid (1984) schreef. Hij heeft gedaan wat hij al aankondigde toen hij in 2002 met Familieziek een trilogie over zijn Indische familiegeschiedenis afrondde: een andere weg inslaan. De wandelaar is de fictiependant van Onder het zink, het ‘abecedarium’ over Parijs dat Van Dis ter gelegenheid van de Boekenweek van 2004 publiceerde, en waarin hij verklaarde dat hij het meest hield van Parijs omdat hij er nooit bij zal horen. Hij ziet zichzelf als een ‘eenling te midden van vreemden, een toestand die draaglijk is omdat kijken naar mensen me nooit verveelt.’

Het is een bijzondere hond waarmee meneer Mulder in augustus 2005 wordt opgescheept; een hond met een verleden in Afrika en een gevaarvolle tocht naar het beloofde land in de poten, ‘geen zithond maar een wa-wandelaar’, zoals een van zijn vorige baasjes, de whiskypriester Père Bruno, hem noemt. Al gauw blijkt dat ‘Le Chien’ zijn nieuwe eigenaar niet alleen zichtbaar maakt voor de buurt (die het waardeert dat hij zich over het brandslachtoffer heeft ontfermd), maar hem ook meetrekt ‘naar een wereld waar hij geen flauw benul van had.’ Meneer Mulder komt in aanraking met het andere Parijs, dat van sans papiers (illegalen) en soupes populaires (gaarkeukens), van een eenbenige bedelares en een aan lager wal geraakte Vietnamees die kunstwerken maakt van zijn kartonnen onderkomens.

Maar de hond doet meer; hij schopt meneer Mulder een geweten. De ‘harige heilige’ haalt hem met stille verwijten (‘„Doe wat,” leek hij te zeggen. „Doe wat”.’) over om zich in te zetten voor de vertrapten van Parijs. Onder de bij toeval verkregen schuilnaam Nicolas Martin zet Mulder zijn comfortabele leventje als lanterfantende expat opzij om de wijken in te gaan. Hij schudt vieze handen, wordt de weldoener van een Sri Lankaanse weduwe, bezoekt een slachtoffer van de brand in het pension, herbergt een zieke zwerfster in zijn huis en koopt een vals paspoort bij de Albanese maffia voor een illegaal uit Tsjaad. Hij praktiseert kortom bijna alle Zeven Werken van Barmhartigheid, zonder dat hij zich er beter bij voelt. Want: ‘Schuldgevoel dreef hem, een volstrekt onberedeneerd schuldgevoel, maar met goedheid had zijn geven niets te maken.’

Als Adriaan van Dis érgens goed in is, dan is het in het schetsen van de rijke en doodgoeie westerling die uit alle macht goed wil doen, en die zowel bij zichzelf als bij anderen onbegrip vindt. Als hij de Sri Lankaanse weduwe, voor wie hij een stille liefde heeft opgevat, geld aanbiedt om zich beter te kunnen kleden, noemt ze hem een snob: ‘„Ik ben geen paspop voor jouw schuldgevoelens”.’ Als hij afscheid neemt van de Afrikaan die hij een paspoort heeft bezorgd, kan hij alleen maar zeggen dat hij het gedaan heeft ‘omdat u in mijn uitzicht woont’. En voortdurend is hij zich bewust van zijn onvolkomenheid; hij snakt naar ‘een beiteltje waarmee hij alles weg kon tikken wat hem dwarszat, het vuil, de nare trekken… tot er een aangenamer man naar buiten brak.’

Van Dis is een meester van de zelfspot, en ironiseert op een subtiele manier het verlangen om ‘iets te doen’ aan het leed in de wereld. Zijn meneer Mulder is een rationalist, die neerkijkt op gelovigen als Père Bruno en die gelooft ‘in de mens die er per ongeluk is en er het beste van probeert te maken.’ In een met whisky omspoelde discussie met de daklozenpriester heeft hij het over ‘een beetje goed doen’. ‘Wie bepaalt wat goed is?’ vraagt Bruno. ‘Mijn geweten’ zegt Mulder. ‘Maar uw geweten doet boodschappen bij God’, zegt Bruno. ‘Al uw ideeën over goed en kwaad komen uit de goddelijke bron waarin u spuugt.’ En zo begint zelfs Mulders materialistische wereldbeeld te wankelen.

Je leeft mee met de goedbedoelende Mulder, die aan het slot constateert: ‘Ik heb voor een hond gezorgd van wie ik veel hield en ik heb hem weggegeven. Ik heb een vriend aan een vrouw geholpen, een vrouw van wie ik had kunnen houden.’ Die sympathie komt doordat Mulder, met zijn eeuwige schuldgevoel en zijn sociale onhandigheid, herkenbaar is. Maar ook doordat Van Dis Mulders omzwervingen door Parijs zo sfeervol heeft beschreven. De korte, melancholieke zinnen die zijn eerdere werk kenmerkten, versterken in De wandelaar de aandoenlijkheid van de hoofdpersoon – zonder dat ze de scherpte van de beschrijvingen van de keerzijde van de grootstad afvlakken. Aan het Parijs van de boulevards, de toeristenmagneten en de kreeften bij Brasserie Lipp wordt alleen bij wijze van contrast gerefereerd. Van Dis’ Parijs is groezelig, arm, stinkend en deprimerend.

Gelukkig weet Van Dis in zijn beschrijvingen de humor te bewaren. Je kunt glimlachen om de ‘bleekbetonnen binnenpleinen waar de verveling littekens had geslagen’ of om de wind die gemeen speelt in het ingeplante haar van een ijdele nieuwlezer. Je knikt geamuseerd bij de gazons die niet betreden mogen worden terwijl de buitenwijken branden en bij tatoeages ‘die uit meisjesbillen kruipen’. Maar het lachen vergaat je bij de ironie van een Albanese mensensmokkelaar die zegt te zweren bij de politie (‘Zijn beste vrienden werkten er’), of van de rechercheur die Mulder toevoegt dat hij hem het liefst het land uit zou zetten, ‘maar helaas, u hebt de verkeerde kleur.’

Er is het afgelopen jaar weer veel gediscussieerd over de vermeende afwezigheid van Grote Wereld in de Nederlandse literatuur. Weinigen zullen het verwacht hebben van een schrijver die nog steeds zucht onder het imago van kakkineuze navelstaarder, maar Adriaan van Dis is erin geslaagd om een roman te schrijven die de lezer met zijn neus op het nieuws van vandaag drukt – van de (historische) branden in de illegalenpensions in Parijs tot de uitzichtloze situatie in de banlieue. Zelfs de soep van varkensvlees, waarover onlangs nog zoveel te doen was omdat hij islamitische daklozen zou discrimineren, komt voorbij in deze fictieversie van George Orwells Down and out in Paris. Wat de wonderbaarlijke tussenkomst van een ‘harige heilige’ niet allemaal vermag.

Voor Dogs & literatur zie: http: //en.wikipedia.org)

Adriaan van Dis: De wandelaar. Augustus, 224 blz. € 17,90