De vrouwelijke slag

Komende zondag gaat in Den Haag de voorstelling ‘DANScombinatie 2007’ in première, gemaakt door drie ex-danseressen die nu choreograaf zijn. Een zeldzaamheid in de danswereld. „Zonder mijn vriend zou ik dit niet kunnen.”

Ann Van den Broek foto Leo van Velzen Amsterdam, 13-01-07. Choreograaf Ann van den Broek. Foto Leo van Velzen NrcHb. choreograaf danser ballet Velzen, Leo van

Drie vrouwen ontmoeten elkaar voor een royale, zaterdagse lunch in een studio annex kantoor op een bedrijventerrein in Sloten. Een assistente stalt het eten voor ze op tafel uit, de vriend van een van hen ontfermt zich op de achtergrond over een muisstille peuter. „Wat is die zoet”, zal een van de vrouwen, Conny Janssen, de moeder van het kind, Ann Van den Broek, later complimenteren. „Was jij ook zo?” „Totdat ik ging dansen wel, ja!” schatert Van den Broek, met een stoute blik op de derde vrouw, Krisztina De Châtel. Die maakt schertsend een wurggebaar: onmógelijk was ze.

Drie vrouwelijke choreografen. Onder die noemer wordt de ‘DANScombinatie 2007’ gepresenteerd, een voorstelling met stukken van Van den Broek (1970), Janssen (1958) en De Châtel (1943), die zondag in Den Haag in première gaat. Alleen De Châtel maakte voor de gelegenheid een nieuw werk, Pulse, gezet op piano-etudes van György Ligeti. Van Conny Janssen wordt In Two Minds hernomen, dat haar groep Conny Janssen Danst in september 2006 voor het eerst uitvoerde. E19 (Richting San José) van Ann Van den Broek debuteerde in oktober 2006 op het Haagse CaDance festival.

Hun loopbanen haken op verschillende manieren in elkaar. Van den Broek, van Vlaamse komaf en nu woonachtig in Antwerpen, danste tussen 1991 en 1998 in het gezelschap van De Châtel. Janssen, Rotterdamse, kreeg als startend choreograaf begin jaren negentig bij De Châtel een van haar eerste kansen om werk te komen maken. Was dit een familie, dan was de in Boedapest geboren De Châtel, die eind jaren zestig naar Nederland kwam en sinds 1976 haar eigen gezelschap leidt, de moeder.

Jullie zijn begonnen als danseres. Was het bedenken en ensceneren van eigen choreografieën daar een logisch vervolg op?

Janssen: „Ik vond het dansen heerlijk, maar was me er ook van bewust dat er een hele laag in mezelf niet werd aangesproken. Ik voelde me altijd het instrument van de choreograaf met wie ik werkte. Ik was niet opvallend assertief, maar wel eigenwijs, van binnen. Als puber ging ik al veel naar het theater. Ik was op zoek naar herkenning, naar verbondenheid. Dat ben ik nog steeds. Mijn werk ik daar een uitingsvorm van. Ik wil de indrukken die ik in het dagelijks leven opdoe, delen met anderen.”

De Châtel: „Creëren is voor mij een noodzaak. Als tiener in Hongarije bedacht ik al mijn eigen dingen. Op mijn twintigste deed ik toelatingsexamen voor de dansopleiding van Kurt Jooss in Essen, en toen had ik een solo gemaakt met wild draaiende armen. Daar was ik alsmaar mee bezig: mijn armen en mijn bovenlijf. Als klassiek danseres was ik hopeloos, dat zag Jooss meteen, maar hij liet me wel toe op zijn school, waar gemengde technieken werden onderwezen.”

Van den Broek: „Ik werkte het liefst met choreografen die grote inbreng van hun dansers verlangen, zoals Krisztina. Bij hen kon ik mijn ei al kwijt. Toen ik in 2000 dan toch mijn eerste solo presenteerde, kreeg ik één recensie, en die was niet bijster positief. Dat was hard, ja. Maar het was ook goed. Als choreograaf heb je niets om je achter te verschuilen.”

Niet veel dansers, en al helemaal weinig vrouwelijke dansers, maken de overstap naar het choreograferen. Hoe komt dat?

Van den Broek: „Velen vinden andere bezigheden als ze eenmaal uitgedanst zijn. Niet iedereen wil choreograaf worden.”

Janssen: „Bij audities zie je iets opvallends: van de beginnende dansers is driekwart vrouw en één kwart man, en aan het eind van de carrières zijn die percentages omgekeerd. Meisjes beginnen vaak eerder met dansen dan jongens, ze rollen er vroeg in, dus zijn ze er misschien ook eerder aan toe om hun wereldje open te breken. Bovendien hebben vrouwen op latere leeftijd vaak de zorg over een gezin. En om dat met een eigen gezelschap te combineren... ”

De Châtel: „Het is zoveel meer dan creëren alleen. Er komt vreselijk veel papierwerk bij kijken.”

Janssen: „Zolang je danst, ligt je enige verantwoordelijkheid bij jezelf, bij je eigen leven. Als choreograaf en artistiek leider moet je ook beleid voeren, je bent verantwoordelijk voor de anderen in de studio. Je gaat dus niet zomaar om zes uur naar huis. En als je naar huis gaat, dan denk je daar verder over hoe je iedereen de volgende dag wilt aansturen.”

Hoe zien jullie thuissituaties eruit?

Van den Broek: „Ik heb sinds een klein jaar een zoontje. De eerste maanden waren moeilijk, maar nu is er weer een soort balans. Dat heb ik te danken aan mijn vriend, die veel tijd in ons kind en in mij steekt. Zonder hem zou ik dit niet kunnen. Ja, als ik heel veel geld had misschien. Dan nam ik een nanny.”

Janssen: „Ik woon samen met mijn vriend, en ik heb een hond. Ik durf het feit dat ik geen kinderen heb niet direct met mijn beroep in verband te brengen, maar het heeft het wel beïnvloed, denk ik. Je bent zo bezield bezig dat de tijd snel voorbijgaat. Zo loopt het dan.”

De Châtel: „Ik woon alleen. Dat past bij mij. Met een partner moet je geluk hebben. Hij moet accepteren dat je totaal in je werk opgaat.”

Is het feit dat jullie vrouw zijn zichtbaar in jullie werk? Heeft het een ‘feminine touch’?

Janssen: „Ik hoor dat wel van mensen, ja. Het heeft te maken met de manier waarop ik mijn dansers selecteer: ik zoek bij mannen naar hun kwetsbare, gevoelige kant, en bij vrouwen juist naar hun kracht. In mijn duetten licht ik ook die kanten van hun persoonlijkheid uit.”

Van den Broek: „Mijn thema’s zijn algemeen menselijk, maar de manier waarop ik ze uitwerk is vrouwelijk. Dat merk ik altijd pas achteraf. FF+Rew, een choreografie uit 2003, ging over een klap, fysiek of emotioneel. Ik liet het uitvoeren door vijf vrouwen, en recensenten en publiek maakten daar een heel eigen verhaal van: die dachten dat het over een verkrachting ging, of over huiselijk geweld.”

De Châtel: ,,Ik zet graag één vrouw naast een heleboel mannen, of twee vrouwen naast vijf mannen die maatjes van elkaar zijn, boefjes; die vrouwen krijgen dan mot met elkaar, natuurlijk. En ik ben gefascineerd door massaal optredende mannen, van optocht tot volksdans. Da’s ook typisch vrouwelijk: ik kan geen genoeg krijgen van broeken.”

Is het moeilijk om publiek voor dans te vinden?

Janssen: „De theaters boeken te weinig dansvoorstellingen. Ze staan allemaal onder grote financiële druk natuurlijk, dus boeken ze liever congressen of cabaret. Terwijl het publiek wel komt, als er maar regelmaat in de programmering zit.”

Van den Broek: „De uitkoopsommen die in Nederland betaald worden, zijn laag. Dat is de vaste som die je krijgt als je je voorstelling aan een theater verkoopt. Ik blijf vrijwel altijd met een gat in mijn begroting zitten.”

Janssen: „Maar het alternatief van spelen op partagebasis, zoals het in Amsterdam gaat, is nog veel riskanter. Dan deel je met het theater alleen in de opbrengst van de kaartverkoop. Met een uitkoopsom weet je tenminste zeker dat je je dansers die dag kunt uitbetalen. Ik ben ook al jaren op zoek naar sponsors, maar Nederlanders zijn in dat opzicht nog altijd een stelletje Batavieren. Kunst is hier een randverschijnsel, zonder status.”

Van den Broek: „Ik vind dit overigens wel een vruchtbare tijd voor de dans. Het warme water is al uitgevonden, maar ik zie veel creativiteit, ook bij mensen die weer jonger zijn dan ik.”

Hoe blijven jullie geïnspireerd? Zien jullie veel dansvoorstellingen van anderen?

Janssen: „Ik ga wel veel zien ja, maar...”

De Châtel: „Dat is vooral nuttig. Je leert ervan hoe je je tot je collega’s verhoudt, waar je staat in het vak. Maar wat je ziet is niet altijd goed.”

Van den Broek: „Het is váák niet goed! Maar juist een slechte show kan heel leerzaam zijn.”

Janssen: ,,Inspiratie haal ik uit andere kunstdisciplines: theater, fotografie, beeldende kunst.”

De Châtel: „Het afgelopen jaar deed ik twee projecten op locatie, en moest ik dus veel reizen. Dat gaf me de kans om boeken te lezen. Zware kost als Jan Siebelinks Knielen op een bed violen. En ik draai muziek. Thuis draai ik nu kwartetten van Haydn, muziek die ik nooit van m’n leven in een voorstelling zou gebruiken. En Chopin, Radio 4… Maar daar kan ik weer absoluut niet bij lezen.”

Janssen: „Ik ook niet. Ik zet thuis nóóit zomaar muziek op. Dan ontstaat er meteen ruis, en krijg ik informatie die ik niet wil missen. Soms zie ik zo al allemaal dansende figuren voor me. Ik droom ook dansfragmenten, of stukken muziek die helemaal niet bestaan.”

Van den Broek: „Met muziek ga ik door fasen. Dan weer een tijdje jazz, dan weer pop… Ik ben vooral gespitst op de teksten. Bij een etentje zet ik met opzet iets heel neutraals op, want anders ben ik geneigd om ‘shht!’ te doen tegen de gasten, om alles goed te kunnen horen. En da’s een beetje onbeleefd, hè.”

Janssen: „Om echt te ontspannen heb ik stilte nodig. Dan ga ik aan een lege tafel zitten, en kijk uit het raam. Of ik ga naar de Maas. Dan wordt het weer leeg in mijn hoofd, en ontstaat er ruimte om zelf dingen te bedenken.”

DANScombinatie 2007: Ann Van den Broek/Korzo producties, ‘E19 (Richting San José)’; Conny Janssen Danst, ‘In two minds’; Dansgroep Krisztina de Châtel, ‘Pulse’ (première). Try-out op 20/1 in het Theater a/h Spui, Den Haag; première aldaar op 21/1. Tournee t/m 9/3. Meer informatie via www.danscombinatie.nl.

    • Sandra Heerma van Voss