De prijs van alles, de waarde van niets

Waarom denken mensen dat alles steeds duurder wordt terwijl de officiële cijfers anders aangeven? In 2006, zo berichtte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vorige week, bedroeg de inflatie gemiddeld 1,1 procent. Dat was het laagste cijfer sinds 1989. Maar waarom voelt de mens in de straat het dan toch als hogere inflatie?

De euro wordt in veel EU-landen beschouwd als de grote boosdoener, maar in Groot-Brittannië, dat het pond sterling hield, is het fenomeen van de hoge ‘gevoelsinflatie’ net zo sterk als in de eurolanden. Daar hebben de Britten een verklaring voor gevonden. Het idee is dat mensen de prijzen van zaken die ze regelmatig kopen veel beter waarnemen en zwaarder wegen dan de prijzen van zaken die ze minder vaak aanschaffen. Als de prijs van regelmatig gekochte zaken sneller stijgt dan de prijs van niet zo vaak gekochte goederen of diensten, ontstaat het foutieve idee dat de prijzen sneller stijgen dan het geval is.

Laten we eens kijken hoe dat in Nederland is. In december 2006 was de totale inflatie 1,1 procent. Maar de prijzen van concrete, regelmatig aangeschafte goederen stegen sneller. Voedingsmiddelen gingen 1,9 procent omhoog en alcoholvrije dranken 5,3 procent. De horeca zag de prijzen met 2,7 procent stijgen. Artikelen voor persoonlijk gebruik werden ook bovengemiddeld duurder.

Zouden we kijken naar minder zichtbare of minder regelmatig aangeschafte goederen en diensten, dan is het beeld heel anders. Communicatie (telefoon, internet) daalde 5,2 procent in prijs, financiële diensten werden 7,2 procent goedkoper, computers, tv’s en dergelijke werden 7,9 procent minder duur. En de grote klapper kwam van het afschaffen van het gebruikersdeel van de jaarlijkse onroerendezaakbelasting. Die drukte, samen met het per saldo goedkoper worden van overheidstarieven, de totale inflatie met 0,4 procentpunt.

Er zijn uiteraard uitzonderingen, want helemaal één op één is de samenhang tussen de prijsstijging en de regelmaat van aankopen natuurlijk niet. Maar het verklaart de ‘gevoelsinflatie’ deels wél.

Om een en ander duidelijk te maken heeft het Britse statistisch bureau nu op zijn website een calculator gebouwd, waar iedereen zijn persoonlijke uitgavenkarakteristiek kan invoeren. De calculator, te vinden op http://www.statistics.gov.uk/ pic/index.html rekent dan de ‘persoonlijke inflatie’ uit van de bezoeker, en hoe deze zich verhoudt tot het landelijke gemiddelde.

Goed idee: wie weet zou een Nederlandse versie hier ook de nodige misverstanden kunnen wegnemen.

Maarten Schinkel

    • Maarten Schinkel