Als jood in Montenegro moet je niet gierig zijn

Na zijn verblijf in Kosovo reist Arnon Grunberg door naar Montenegro. Ook daar lijkt het investeringsklimaat gunstig. En de Serviërs die hij er ontmoet noemen zichzelf ‘de nieuwe joden’.

Zoran Ilic, ex-overvaller van benzinestations foto Arnon Grunberg Grunberg, Arnon

Een ten onrechte vergeten roman uit de Nederlandse literatuur is Het land achter Gods rug van A. den Doolaard. Dat land is Montenegro en over de Montenegrijn schrijft Den Doolaard: „Hij schatte niets hoger dan zijn geweer; daarna pas kwamen zijn paard, zijn huis en zijn vrouw.”

Montenegro is ook het land waarin ik volgens ingewijden uit Kosovo moet investeren. Daartoe schijnt men goede relaties op te moeten bouwen met de orthodoxe kerk.

Ik reis naar Podgorica, de hoofdstad, met een vertaler en een gids. Damir, de vertaler, is op zijn dertiende uit Bosnië naar Nederland gevlucht, met een tussenstop in Oostenrijk. Petrovic, de gids, is Montenegrijn maar woont al vanaf 1972 in Nederland. Hij was voorzitter van de Joegoslavische Bond in Nederland. Petrovic en Damir zijn ieder op hun eigen wijze vriendelijk en behulpzaam.

Op Schiphol vertelt Petrovic: „In 1995 reed ik een vrachtwagen met humanitaire hulp naar Joegoslavië. Ik had duizend kilo smeerkaas bij me. Dat zijn zevenendertigduizend maaltijden, voor de kindercrèches.”

In Podgorica voegt

Vuko, een taxichauffeur, zich bij ons. Vuko vloekt veel. Gelukkig vertaalt Damir getrouw. Bij voorkeur zegt Vuko: „Laat alles naar de kut van de moeder gaan.” In Montenegro is dat een standaarduitdrukking.

Overal waar wij komen stelt Petrovic mij en Damir voor als „de moslim en de jood”. Al de eerste avond blijkt daar een logica achter te steken. In een restaurant, waar wij Montenegrijnse wijn drinken die 42 ziektes geneest, verklaart Petrovic: „Als je alleen mens bent, ben je niets.”

Petrovic neemt nog een slok en stelt vast: „De vrijmetselaars zitten achter de nieuwe wereldorde.” Waarop onze taxichauffeur die niet eet maar wel drinkt verklaart: „Laat alles naar de kut van de moeder gaan.” Na één dag in Montenegro voel ik me gelukkiger dan na een week Kosovo.

Petrovic, die als voormalig voorzitter van de Joegoslavische Bond veel mensen kent, heeft een ontmoeting geregeld met het hoofd van de Servisch-orthodoxe kerk, Vladika Amfilohije. De ontmoeting vindt plaats in een klooster in het stadje Cetinje. In de taxi op weg erheen zegt Petrovic: „We hebben veel respect voor het joodse volk. Judas was een verrader en die was ook van dat volk, maar dat hebben we vergeven. Op een gegeven moment is het zand erover.”

In de ontvangstruimte van het klooster krijgen wij rakija te drinken, een lokale schnapps. Onze taxichauffeur fluistert: „Wat hebben ze het hier goed.”

Dan verschijnt Vladika Amfilohije. Zijn verschijning en baard zijn indrukwekkend. We spreken eerst over de oorlog. Heel even is onduidelijk welke. „Driehonderdduizend Serviërs zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog gevlucht uit Kosovo en ze hebben nooit toestemming gekregen terug te keren”, zegt de geestelijk leider.

„En de vermoorde Albanezen?”

Vladika Amfilohije zucht en zegt dan: „We hebben een uitdrukking hier: oorlog is niemands broer.”

Vervolgens gaat het over wijnbouw. Ook hier doet de kerk in zaken en in wijn. Er zijn stukken grond die de communisten van de kerk hebben afgepakt en die nog moeten worden teruggegeven. Wellicht kunnen de druiven voor mijn wijn daar groeien.

„Hoeveel wil je investeren?” vraagt Vladika Amfilohije.

„Vijftigduizend euro”, zeg ik. Als jood in Montenegro moet je niet gierig zijn. Dat blijkt te kloppen, want Vladika Amfilohije vertelt de rest van het bezoek joodse moppen.

„Je moet ook gewone mensen leren kennen”, zegt Petrovic buiten.

Die avond staat een ontmoeting met een gewoon mens op het programma. Hij heet Zoran Ilic. We ontmoeten hem naast een nachtclub. Over de nachtclub zegt onze taxichauffeur: „Daar serveren ze gepaneerde kut.”

Zoran blijkt een beetje

Duits te spreken. Hij heeft er vijf jaar gewoond.

„Wat heb je daar gedaan?” informeer ik.

„Wat rondgelopen.”

„Nee”, zeg ik. „Dat geloof ik niet.”

Na aandringen komt het eruit. Hij heeft in Duitsland vier jaar en drie maanden in de gevangenis gezeten.

„Waarvoor?” vraag ik.

„Ik heb tankstations beroofd.”

De gewone mens blijkt benzinestationovervaller. In Afghanistan was ik gelukkig. Al met al draagt Montenegro meer bij tot mijn geluk.

„In de gevangenis heb ik tennisrackets gemaakt en kersenbonbons in een zakje gedaan”, zegt Zoran en het lijkt hem melancholisch te stemmen dat niemand hem meer vraagt kersenbonbons in een zakje te doen.

„Wat is er misgegaan?”

„Twintig dagen na de laatste overval ben ik gepakt. Een compagnon had me verraden. Vier jaar van mijn leven zijn weg, maar het was toch een mooie tijd. Iedereen noemde me meneer.”

Ik knik begripvol.

„Ja”, zegt Zoran, „wij op de Balkan hebben iets tegen Duitsers. Dat ligt aan ons. Wij zijn de smeerlappen. Mijn moeder kan zich de Tweede Wereldoorlog nog herinneren. Ze herkende me bijna niet toen ik uit de gevangenis kwam. De maaltijden waren niet bijzonder, maar ik at regelmatig.”

„Hoe gaat zo’n overval in zijn werk? Waar begin je?”

Zoran glimlacht. „De organisatie was niet zo goed. We hadden een tip gekregen. We wisten wanneer het geld zou worden opgehaald. Maar achteraf was die tip niet zo bijzonder. Er zou driehonderdduizend D-mark zijn en er was maar honderdzestigduizend. We hadden een Belgisch pistool met vijftien kogels waarvoor we drieduizend D-mark hadden betaald, en een neppistool. We hadden geen masker op, we dachten: niemand zal ons toch herkennen. Op een gegeven moment werden we overmoedig met het geld. De politie heeft alleen zesendertighonderdzesentwintig D-mark gevonden en die hebben ze ons ook teruggegeven. Vijfduizend D-mark heb ik aan mijn moeder gestuurd, de rest ging naar vrouwen. We gingen naar clubs waar een nacht twee- tot drieduizend D-mark kostte. Het was best lastig met die luxehoeren, want ik sprak de taal niet goed. Maar van goedkope hoeren walg ik.”

„En de mensen die in het benzinestation waren?”

Zoran haalt zijn schouders op. „Sommigen gingen op de grond liggen, anderen gingen tegen de muur staan. Maar...” En nu slaat zijn stem over. „Ik heb nooit iemand met een vinger aangeraakt, want dat zou een zonde zijn geweest.”

Voor wij Montenegro verlaten ontmoeten wij Raco Karadzic, de broer van politicus, psychiater, dichter en voortvluchtige Bosnische oorlogsmisdadiger Radovan Karadzic. Radovan is in Montenegro nog erg populair. In menig huis en café hangt zijn portret.

Raco heeft een café waar onlangs iemand is doodgeslagen. Hij zegt: „De voorstanders van de Montenegrijnse onafhankelijkheid zijn bij Bush en het Vaticaan op bezoek geweest om hun zegen te krijgen. De grote vijanden van het Servische volk zijn de moslims en de katholieken.”

Even kijkt Raco Karadzic mij aan.

„Wij Serviërs zijn de nieuwe joden”, zegt hij. „Maar de joden hebben nu een land en wij verliezen ons land.”