Twee grafdelvers

Joop Wolff, die onlangs overleden is, was jarenlang „een van de machtigste mannen” in de Communistische Partij van Nederland (CPN). Zo noemt Frits Abrahams hem op 9 januari in zijn dagelijkse column op de Achterpagina. Inderdaad, hij was de rechterhand van Paul de Groot, die de partij van 1945 tot 1978 met ijzeren hand regeerde.

In zijn column vertelt Abrahams over een interview dat hij in 1991 met Wolff had, een maand voordat de CPN zichzelf ophief. Ook ik heb – een jaar of twintig eerder – Wolff eens ontmoet, maar over die ontmoeting kan ik niet zoveel interessants mededelen als Abrahams over zijn gesprek.

Het was op een of andere ontvangst in Den Haag dat ik Wolff tegen het lijf liep. Hij reageerde niet als door een adder gebeten, toen hij de klassevijand tegenkwam. Integendeel, hij begon dadelijk zijn waardering uit te spreken voor de belangstelling die ik voor de Nederlandse taal had. Die hadden we kennelijk gemeen. Ik zou jokken als ik zei dat ik me niet gevleid voelde.

Het past in het beeld dat ook Frits Abrahams even laat zien, wanneer hij eraan herinnert dat Wolff met prins Bernhard bevriend was. Trouwens, ook met andere – soms aardig rechtse – mensen uit het verzet bleef hij in vriendschap verbonden. En eens vertelde hij in een interview dat hij en zijn partijgenoot Marcus Bakker geweldig met Wiegel konden lachen achter de gordijnen van de oude Tweede Kamer.

Maar dit menselijk beeld moet ons niet doen vergeten dat hij onverzoenlijk was jegens dissidenten in de partij. Mensen als Henk Gortzak en Gerben Wagenaar – ook oud-verzetslieden – hadden het niet aan hem, maar aan de verguisde Nederlandse rechtsstaat te danken dat zij niet, zoals hun lotgenoten in Oost-Europa, ook fysiek geliquideerd werden als verraders.

Geen wonder dus dat Wolff niet veel moest hebben van Chroesjtsjov, die van 1958 tot 1964 heer en meester over de Sovjet-Unie was. Die had „het communisme te schande gemaakt” door in 1956 Stalin openlijk van zijn voetstuk te stoten, was de mening die hij Abrahams toevertrouwde. „Paul de Groot noemde hem de knoeichef, daar heb ik smakelijk om gelachen.”

Helemaal ongelijk hadden De Groot en zijn trawanten niet, want terwijl Chroesjtsjov hoopte met zijn ‘destalinisatie’ het Russische volk van een loden last te bevrijden, die hun alle moed tot eigen initiatief had ontnomen, zette hij er eigenlijk het proces van ontmanteling van het communisme en van de Sovjet-Unie mee aan de gang, die in 1991 zou eindigen.

Nog in hetzelfde jaar, 1956, braken in Polen en Hongarije opstanden uit, de laatste bloedig onderdrukt. En in het binnenland veroorzaakte Chroesjtsjov grote onzekerheid door zijn impulsieve hervormingen, die zeker nodig waren, maar die hij, zelf van hun effect geschrokken, voortdurend bijstelde. Ook op cultureel gebied volgde, na een aanvankelijke ‘dooi’, spoedig weer repressie.

Na Chroesjtsjovs val, in 1964, volgden twintig jaar van stagnatie onder Brezjnev, Andropov en Tsjernenko (van wie de laatsten meer dood dan levend waren). Pas onder Gorbatsjov kwam er een nieuwe poging tot hervorming van het communisme, maar het bleek niet te hervormen. Ook Gorbatsjov faalde dus, wat niets afdoet aan zijn grote verdiensten – vooral als beëindiger (met Ronald Reagan) van de Koude Oorlog.

Maar dat echte communisten, als Joop Wolff, Chroesjtsjov en Gorbatsjov als grafdelvers van het communisme zagen, is wel begrijpelijk. Het was in de eerste plaats omdat Abrahams herinnerde aan Wolffs mening over Chroesjtsjov dat ik in zijn column een aanleiding vond tot een eigen beschouwing. Het deed me bovendien denken aan het contact dat ik in die tijd had met iemand anders die dezelfde opvatting had over Chroesjtsjov als Wolff.

Dat was mr. Johan Huijts, met wie ik vele jaren een uitvoerige correspondentie had over communisme en Sovjet-Unie. Hij was marxist (geen lid van de CPN) en kenner van de Sovjet-Unie, waarover hij vóór de oorlog enige boeken had geschreven, o.a. een Geschiedenis van de Russische revolutie 1905-1936 en Nieuwe mensen in Moskou. Ik heb Huijts slechts één keer uitvoerig gesproken, maar dat ging over een andere zaak.

Niet dat er in Nederland geen andere kenners van de Sovjet-Unie waren, maar in Huijts vond ik iemand die de Sovjet-Unie als marxistische intellectueel beoordeelde, en daarvan waren er maar weinig hier, ook in de CPN. Niet dat hij daarom altijd gelijk had, maar hij gaf mij een andere kijk op de zaak dan je gewoonlijk kreeg. In mijn rubriek liet ik hem vaak aan het woord, meestal als „mijn marxistische vriend”.

Huijts nu vond ook dat met Chroesjtsjov de klad in de Sovjet-Unie en het communisme was gekomen. Vooral zijn experimenten met de landbouw achtte hij fataal, want voor hem was het gemeenschappelijk eigendom van de grond een kernstuk van het communisme. (Mijn correspondentie met Huijts ligt nu bij het Instituut voor Sociale Geschiedenis.)

Sommige lezers zullen Huijts in een andere functie herkennen. Inderdaad, hij was in de bezettingsjaren hoofdredacteur van de Nieuwe Rotterdamse Courant en is na de oorlog deswege gestraft. Als sympathisant met de Sovjet-Unie meende hij die functie te kunnen uitoefenen, omdat hij – zeker ten onrechte – meende dat een nationaal-socialistische bezetting, die tijdelijk zou zijn, Nederland alvast socialistisch zou maken.

Verder wil ik over Huijts’ regime en motieven niet oordelen (ik was toen nog niet aan die krant verbonden), maar redacteuren die onder hem gewerkt hadden, waren vol lof over de autonomie die hij hun binnen de bestaande beperkingen liet. Een joodse redacteur werd bibliothecaris (terwijl er nauwelijks een bibliotheek was), en vrouw en kinderen van redacteuren die opgepakt waren, liet hij niet zonder zorg.

Dit alles naar aanleiding van Frits Abrahams’ column over Joop Wollf.

Thorbecke. In de krant van 13 januari betreuren Hans Boschloo en Jan Drentje het dat ik in mijn artikel van 4 januari Thorbecke conservatief heb genoemd of althans die indruk heb gewekt. Het eerste heb ik niet gedaan. Ik heb alleen Gerry van der List en wijlen H. van Riel in die zin geciteerd, waarbij ik van de laatste gezegd heb dat we hem niet al te serieus moeten nemen. Misschien heb ik mij schuldig gemaakt aan het opdienen van andermans „oudbakken oordelen” (aldus Drentje), maar dat is iets anders dan die mij eigen maken.