Oud zeer

‘Ze.’ Dat waren de dorpelingen. Zijn mededorpelingen. Er klonk haat door in zijn stem. Dunner kon ‘ze’ niet worden uitgesproken. ‘Ze komen er niet op.’

Het liet aan duidelijkheid weinig te wensen over. Nooit zou er ook maar één sterveling uit het dorp, man of vrouw of kind, al was het met een halve teen of met de schaduw van een teennagel het miniemste hoekje van zijn landerijen bezoedelen. Anders zwaaide er iets. Anders greep hij naar zijn jachtgeweer.

Dat had doutor Marques kort samengevat tegen me gezegd.

Hij praat opnieuw over de dorpelingen of ze minder zijn dan dieren. Tegen mij blijft hij de hoffelijkheid zelve, met een haast glibberig vertoon van verstandhouding. Nog voor ik kan antwoorden op zijn ongezouten opinies laat hij me al weten dat hij volledig instemt met mijn antwoord. Ik ben briljant in zijn ogen.

Ik ben dan ook geen dorpeling die hij van heel vroeger kent. Na de Anjerrevolutie is hij naar de stad gevlucht. Andere landeigenaren namen helemaal de wijk naar Brazilië. Wie onder de veertig is heeft nu al geen weet meer van die revolutie. Maar bij de oudjes suddert het door.

Twintig jaar woon ik hier en ik zie hem hooguit twee keer per jaar.

Drie dunne haarslierten heeft doutor Marques nog. Drie slierten gepommadeerd haar waar ik op uitkijk, want zijn hoofd reikt tot mijn schouders. Hij heeft altijd hetzelfde driedelige pak aan, in een grijstint die ik moeilijk kan thuisbrengen. Het lijkt in elkaar gezet door een kleermaker die is blijven steken in de herenmode van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Of misschien is doutor Marques erg zuinig op zijn pak geweest en draagt hij het al een halve eeuw. Dat valt ook al moeilijk uit te maken. De glimmende plekken ter hoogte van zijn ellebogen wijzen op het laatste.

Hij heeft me zojuist, staande aan de rand van zijn landerijen, weer eens meegedeeld dat Ze Er Niet Op Komen. Zijn dictie heeft niets aan bitsheid ingeboet.

Achter hem, over zijn schouder heen, zie ik zijn huis. Het is half over een rotsformatie heen gebouwd en heeft dringend behoefte aan een witkwast. De rolluiken zijn gesloten. De rolluiken zijn naar beneden als hij er niet is en ze zijn naar beneden als hij er wel is. Een blindemanshuis. Het geval doet modern aan in deze omgeving, het is van de grotere huizen hier het meest recente. De jaren vijftig van de vorige eeuw, schat ik. Net zo oud als zijn pak

Met Pasen is doutor Marques er gegarandeerd. En een paar weken in de zomer, als het in de stad te heet wordt. Dan sluit hij zich op, achter de witte rolluiken. ’s Morgens maakt hij een kleine wandeling, steeds dezelfde wandeling. Hij groet niemand. Niemand van ‘ze’ tenminste. Alleen als hij mij ziet fleurt hij op.

Ook ik kom zelden buiten. Het is welbeschouwd stom toeval dat we elkaar tegenkomen. Toch komen we elkaar tegen bij elk van zijn schaarse bezoeken. Dan lacht hij duivels. De engel die ik wil ontmoeten loop ik altijd mis.

    • Gerrit Komrij