Liever de noordelijke hand

Onze voorkeur voor een ruimtelijk systeem met links, rechts, voor en achter is cultureel bepaald. Het gaat echter in tegen onze aangeboren voorkeur, aldus Daniel Haun, die hierop gisteren promoveerde in Nijmegen.

Daniel Haun (Foto Max Planck Instituut) Max Planck Instituut

In sommige talen is de ‘rechterhand’ onbekend, en spreekt men van ‘mijn noordelijke hand’ of ‘mijn zuidelijke hand’, afhankelijk van hoe men op dat ogenblik staat.

Al langer is bekend dat binnen de mensheid verschillende ruimtelijke systemen circuleren: verschillende manieren om te onthouden (en te beschrijven) waar dingen zich bevinden ten opzichte van andere dingen. Ons ‘relatieve’ systeem met links, rechts, voor en achter is egocentrisch: de ruimtelijke relaties worden vanuit het ik beschreven. Veel culturen hebben een ‘absoluut’ systeem, dat ook wel ‘allocentrisch’ genoemd wordt: als referentiepunt neem men niet zichzelf, maar een absoluut punt in de verte, bijvoorbeeld het zuiden (de zon), een berg, een rivier of een ander dominant punt in de omgeving.

Van oudsher wordt er in Nijmegen, bij het Max Planck Instituut, onderzoek gedaan naar deze diversiteit aan ruimtelijke systemen. Een van de medewerkers, Daniel Haun, heeft nu ook de ruimtelijke voorkeuren van mensapen (chimpansees, gorilla’s, orang-oetans en bonobo’s) en kinderen van vier onderzocht.

Haun: „Ik deed spelletjes met ze, ik verstopte voedsel of speelgoed onder kommetjes. Dat gebeurde volgens bepaalde regels. Bijvoorbeeld: altijd onder het linkerkommetje. Of: altijd onder het noordelijke kommetje. Bij de apen en de kinderen riep dat al gauw een bepaalde verwachting op. De opstelling bestond uit twee tafels, aan weerszijden van een wand. Eerst werd het spelletje aan tafel 1 gespeeld en verstopte ik de voorwerpen steeds onder, laten we zeggen, het linkerkommetje, dat tevens het ‘noordelijke’ kommetje was. Daarna liepen we naar tafel 2, die dus precies andersom stond. Als de aap of het kind een relatief ruimtelijk systeem hanteert, zal hij opnieuw onder het linkerkommetje gaan kijken. Hanteert hij het absolute systeem, dan zal hij onder het rechterkommetje kijken, omdat dat het noordelijke kommetje is.”

Zowel de apen als de jonge kinderen hadden een uitgesproken voorkeur voor het absolute, allocentrische systeem.

Haun: „Als alle jonge kinderen en alle mensapen die voorkeur hebben, dan is het aannemelijk dat ze die van een gezamenlijke voorouder geërfd hebben. Dus het zit al miljoenen jaren in onze genen. Het is diep verankerd, zou je zeggen. En toch blijkt dat die voorkeur kan veranderen. Want wij hebben, als sprekers van een Germaanse taal, een heel ander systeem geleerd: het relatieve. Blijkbaar kan zo’n cognitieve voorkeur veranderen, onder invloed van de cultuur en de taal.”

Dat taal hierin een sleutelrol speelt, is duidelijk. Wie een taal spreekt met een relatief ruimtelijk systeem, moet ruimtelijke relaties ook op die manier registreren en onthouden, want anders kan hij ze later niet meer in die taal beschrijven. Voor het absolute systeem geldt hetzelfde: de taal die men spreekt, beïnvloedt de waarneming en het denken.

Blijft de vraag: hoe is die cultureel bepaalde voorkeur voor een relatief systeem ooit ontstaan? Haun: „Er zijn mensen die denken dat het beter past bij het leven in een stedelijke samenleving, bij de manier waarop we ons in steden bewegen: je kunt niet ver om je heen kijken, je kunt niet alle kanten op, en je zit vaak binnen of onder de grond. Maar er zijn ook culturen van jagers en verzamelaars die het relatieve systeem hanteren. Dus die verklaring snijdt geen hout.

„Een andere theorie wil dat het te maken heeft met het schrift. Dat werkt altijd met relatieve richtingen: je schrijft van links naar rechts, of van rechts naar links, of van boven naar onder. Ook hier geldt: er zijn analfabete culturen die óók een voorkeur hebben voor termen als links, rechts, voor en achter. Dus we weten het niet.”

Als jonge kinderen een voorkeur hebben voor het absolute systeem, dan zou je verwachten dat het relatief veel inspanning kost om het relatieve systeem te leren. „Inderdaad zijn er dingen die daarop wijzen”, zegt Haun. „Veel mensen hebben moeite met links en rechts. En uit eerder onderzoek is gebleken dat kinderen die opgroeien met een absoluut systeem, dat systeem rond een jaar of zeven helemaal beheersen. Terwijl dat bij kinderen die te maken hebben met het relatieve systeem, langer duurt: zij hebben het systeem pas rond hun elfde helemaal onder de knie.”