Interviewen

Het geschreven interview is niet meer wat het geweest is: een prestigieus genre waarmee geïnterviewde en journalist de nodige eer – en soms ook schande – konden inleggen. Waar is de devaluatie begonnen?

In de eerste plaats bij de overvloed, vermoed ik. Mensen die iets te melden hebben, worden nu in korte tijd door alle media tot de laatste druppel uitgemolken. Dit verschijnsel gaat gepaard met een andere ontwikkeling: de toenemende controle over het eindproduct door de geïnterviewde. Hij wil kunnen schrappen en toevoegen naar het hem goeddunkt.

Die ontwikkeling is begonnen bij autoriteiten, vooral politici, en inmiddels ook doorgedrongen tot de rangen van de normalere stervelingen. Na het interview ontstaat vaak een harde onderhandelingsronde over de tekst. Het gaat er niet meer om wát er is gezegd, maar hoe de geïnterviewde het beter had kúnnen zeggen.

Vooral de opmars van de voorlichters is daar debet aan. Zij fungeren als waakhond en zijn vaak strenger dan de geïnterviewde zelf. Het gevolg is dat elke spontaniteit zoekraakt en een doodgekookte tekst overblijft. Iedere goede interviewer is bereid fouten te verbeteren, maar te vaak komen de voorstellen neer op een vorm van willekeurige censuur.

Zo verloor een interessant, leesbaar, journalistiek genre langzaam maar zeker zijn glans. Er zijn nog wel goede interviewers, en voor een mooi interview ben ik als lezer nog altijd te porren, maar dat overkomt me maar een paar keer per jaar.

Deze week kwam onder de titel Neuriënd naar het einde (Nijgh & Van Ditmar) een boek uit van een interviewer die nog de hoogtij van het genre mocht beleven: Ben Haveman, inmiddels gepensioneerd bij de Volkskrant. Zijn eerste bundel, Oh, gelukkige eenzaamheid, uit 1977 heeft alle slachtingen in mijn boekenkasten overleefd. In dat jaar kreeg Haveman voor zijn interviews de Prijs voor de Dagbladjournalistiek. Het was hetzelfde jaar waarin ik zelf bij de Volkskrant in dienst trad als onervaren verslaggeversbroekje. Haveman, nu 64 jaar, was voor mij een gevestigde, oudere collega. Dat we maar vier jaar scheelden, realiseer ik me nu pas.

Toen ik later zelf interviews ging schrijven, was hij een van mijn voorbeelden – met de andere grote interviewers uit die jaren, Bibeb en Ischa Meijer. Ieder had zijn eigen stijl. Bibeb en Meijer hielden van de directe confrontatie, vaak met de machtigen van de Nederlandse aarde, Haveman schetste liever op impressionistische wijze psychologische portretten, bij voorkeur van nogal excentrieke mensen. Hij koos nooit voor een puur vraag-antwoord-spel, maar nam de citaten op in een bedding van indrukken. Zijn interviews laten zich daarom vooral lezen als uitvoerige, vloeiende verhalen.

In Neuriënd naar het einde is een aantal hoogtepunten – ditmaal vooral met bekende Nederlanders – van de afgelopen decennia bijeengebracht. Wie solide karakterschetsen van Renate Rubinstein, Harry Mulisch, Ivo de Wijs, Wim de Bie en Kees van Kooten, Martin van Amerongen en vele anderen wil lezen, kan hier terecht.

‘Neuriënd naar het einde’ is een dappere uitdrukking van Van Amerongen, die zelf helaas de daad bij het woord moest voegen. In zekere zin geldt het ook voor het interviewgenre, zoals Haveman het beoefende. Tabee!

    • Frits Abrahams