Arts behandelt kind allochtoon slechter

De behandeling van kinderen met astma, suikerziekte of een lui oog verloopt niet altijd vlekkeloos. Vooral bij niet-westerse allochtone kinderen gaat er vaak wat mis. Dat concludeert Nathalie Urbanus-Van Laar in het proefschrift waarop zij vandaag promoveert bij de afdeling sociale geneeskunde van het AMC in Amsterdam.

Van de kinderen bij wie de consultatiebureau-arts een lui oog vermoedt, komt maar 45 procent bij de oogarts of orthoptist terecht. Kinderen van Marokkaanse en Turkse afkomst lopen het bezoek twee keer vaker mis dan autochtone kinderen. Surinaamse kinderen moeten gemiddeld langer op een consult wachten. Suikerziekte wordt bij niet-westerse allochtone kinderen later herkend dan bij autochtone kinderen. Bij matige astmaklachten krijgen Marokkaanse en Turkse kinderen vaker dan autochtone kinderen te lichte medicatie van hun huisarts.

Urbanus-Van Laar gebruikte gegevens uit eerdere grote studies naar behandeling van deze aandoeningen. Zij combineerde die met CBS-gegevens over etnische herkomst en met diepte-interviews. Een mogelijke verklaring voor de verschillen, zo concludeerde zij daaruit, is gebrekkige informatieuitwisseling tussen arts en ouders. Maar ook vooroordelen van artsen spelen wellicht mee: onder hen leeft de gedachte dat allochtone ouders de adviezen vaak bewust niet opvolgen. Maar daarvoor vond Urbanus-Van Laar geen enkele aanwijzing.