Ook de niet-bestaande soldaat krijgt betaald

Commandanten steken het salaris van niet-bestaande soldaten in eigen zak en de douane doet aan oliesmokkel.

Zonder goed bestuur is Irak gedoemd te mislukken.

Het corruptieniveau bij de Iraakse troepen en de politie is onthutsend. De Studiegroep Irak (de onafhankelijke commissie, die onlangs een rapport uitbracht over de oorlog in Irak) ontdekte dat jaarlijks 5 tot 7 miljard dollar verloren gaat aan corruptie.

Toch hadden slechts twee van de 79 aanbevelingen uit het rapport betrekking op dit probleem en werden er op dit gebied geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Omdat ik in Irak dienst heb gedaan, vind ik dat zeer teleurstellend.

De grootste corruptie in het Iraakse leger en bij de politie doet zich voor als de salarissen worden uitbetaald. Omdat het land geen goed functionerend banksysteem heeft, ontvangen commandanten elke betalingstermijn grote hoeveelheden contant geld, op basis van het aantal en de rang van de personeelsleden op hun staflijsten. Het endemische probleem is dat deze commandanten vaak niet- bestaande soldaten en politiemensen – ‘geesten’ – op die lijsten zetten en hun salarissen in eigen zak steken. Het is moeilijk de schade te overschatten die deze ‘geesten’ de oorlogsinspanningen berokkenen. We hebben geen idee welk deel van dat geld wordt aangewend voor de financiering van tribaal en etnisch geweld, of van de opstand zelf. Omdat in alle geledingen honderden, zo niet duizenden van deze ‘geesten’ voorkomen, beschikken veel leger- en politie-eenheden over lang niet zoveel gewapende mannen in het veld als zij op papier lijken te hebben. Die eenheden krijgen taken toevertrouwd waarvoor zij de noodzakelijke mankracht niet in huis hebben.

De tweede grote bron van corruptie is de smokkel naar het buitenland van olie en goederen. Een Amerikaans onderzoeksteam meldde in november dat de oliesmokkel, waarbij Iraakse douanebeambten de helpende hand bieden, de opstandelingen jaarlijks 100 miljoen dollar oplevert.

Omdat het grootste deel van Irak door land is omsloten, passeren bijna alle goederen die het land in- en uitgaan veertien plaatsen met douanefaciliteiten. Smokkelen heeft altijd al deel uitgemaakt van het Iraakse leven, zeker tijdens de laatste jaren onder Saddam Hussein, die de smokkel aanmoedigde om zo het embargo op de Iraakse olie-export te kunnen omzeilen. Toch namen vrijwel meteen na de invasie van 2003 voormalige douanebeambten van het regime hun posities in de grensplaatsen weer in.

In 2005 was ik aan de noordelijke grens tussen Syrië en Irak. Het werd al snel duidelijk dat de grensplaats Rabiya een broeinest van corruptie was. De douanebeambten knepen blijkbaar niet alleen een oogje dicht bij het smokkelen, maar leken er ook direct bij betrokken te zijn.

Sinds die tijd is er weinig veranderd: vorige maand meldde de Amerikaanse speciale inspecteur-generaal voor Irak, Stuart Bowen, dat de pijpleidingen in hetzelfde gebied waren opgeblazen, zodat olie uitsluitend via de weg kan worden geëxporteerd. Hij merkte op: „Daardoor wordt de smokkel interessant, omdat de tankwagenchauffeurs hun lading op de zwarte markt kunnen verkopen.”

Hoe kunnen we een einde maken aan deze zwarte markt? In de eerste plaats moeten we erop staan dat de Iraakse regering de douanebeambten vervangt door een nieuwe groep van minstens 1.400 elitefunctionarissen, die moeten worden geselecteerd en doorgelicht door de Iraakse ministeries en de coalitiekrachten. Deze nieuwe mensen moeten worden ondersteund door Amerikaanse adviseurs. We moeten een anticorruptie-eenheid van coalitieofficieren formeren, met de bevoegdheid om periodiek zaken onder de loep te nemen als de recruteringsmethoden van de Iraakse overheid, en het beleid tegenover ethische problemen en de interne discipline.

Ongeacht het aantal troepen dat de VS naar Irak sturen en hun missie, zal de overwinning of de nederlaag afhangen van ons vermogen een voorbeeld te geven van een goed bestuur.

Luis Carlos Montalvan is kapitein in het Amerikaanse leger. © IHT

Op 3 december berichtte het weblog Wereld over de uitspraken van Stuart Bowen: nrc.nl/weblog/wereld

    • Luis Carlos Montalvan