Morfine

Al bijna drie jaar doet een studente geneeskunde onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag over haar eeuwig lachende held, meneer Blauw.

„Anne, kom snel!” Het hoofd van de verpleegkundige verschijnt om de deuropening. Het is de vijfde week van mijn oudste co-schap chirurgie en ik zit in de artsenkamer een ontslagbrief te typen. ‘Meneer Blauw is ingestort. Hij ademt nauwelijks en...’

Snel loop ik achter haar aan. Blauw: mijn eeuwig lachende held op kamer vier! Sinds de operatie vorige week is hij hard achteruit gegaan. Uitgezaaide dikkedarmkanker, een bloedvergiftiging eroverheen. „Ik ben klaar. Laat me maar gaan”, fluisterde hij me vanochtend toe. Vanmiddag heeft dokter Scholten met de familie een palliatief beleid afgesproken.

Als ik de deur van kamer vier open, boren drie paar ogen zich in mijn witte jas: zoon, schoondochter en kleinzoon. Opgelaten geef ik ze een hand. De huid van meneer Blauw lijkt nog grauwer dan vanmorgen, de huidplooien een centimeter dieper. De verpleegkundige heeft zijn kunstgebit verwijderd. Het staat naast zijn bed in een bekertje. Zijn mond en neus zijn bedekt met een zuurstofkapje. Zijn ogen zijn open, maar doelloos naar het plafond gericht.

„Wat is de saturatie?” vraag ik de verpleegkundige. „77, maar hij meet niet goed. Natuurlijk perifeer geknepen.” Demonstratief houdt ze de katheterzak omhoog: een bodempje donkere urine. Ik knik, doe alsof ik de gegevens interpreteer. Ik doe wat dokters doen, vraag naar gegevens, maar zonder enig idee wat ermee moet. Een slechte actrice in een B-film. Alsof die zes ogen dat niet zien. Maar ik kan mezelf het script niet meer uitschrijven. Dus schijn ik met een lampje in zijn ogen. „Pupillen reageren matig”, mompel ik.

Zijn ademhaling komt met grote tussenpozen: twee, drie seconden stilte, dan weer een gierende hap naar lucht. „Ik neem wat bloed af om de saturatie te bepalen”, zeg ik, en voel naar de polsslagader. De familie zwijgt. Wie probeer ik eigenlijk in de maling te nemen met mijn ‘daadkracht’? Deze prik is totaal zinloos bij een stervende man.

„Is... is hij?” De schoondochter grijpt mijn arm.

Ik kijk naar het gezicht van meneer Blauw. De wangen lijken nu definitief naar binnen gevallen. Zijn borstkas beweegt niet meer. Het is stil in de kamer. Secondenlang. Een halve minuut. Blauw is dood! Ik moet iets doen: de dood vaststellen?

Ik zet mijn stethoscoop op zijn borst, de dopjes in mijn oor. Klinkt daar in de verte nog een hartslag? Ik concentreer me beter. Plotseling schiet met een gierende uithaal zijn borst omhoog. Ik struikel achterover. Blauw heeft zijn oude ademhalingspatroon alweer opgepakt: adem, één, twee, drie. Alsof er niets is gebeurd.

„Wat was dat?” roept de kleinzoon. „Ik dacht dat hij dood was!”

Ik zoek naar een professionele blik. Tegen beter weten in: ze hebben mijn sprong naar achteren en de schrik in mijn ogen gezien. „Ik denk dat het eind nabij is”, stotter ik. „We kunnen niet veel meer doen.”

„Maar dit is toch...” snikt de schoondochter. „Mensonterend”, voegt de zoon toe.

„Wordt het geen tijd om Scholten te halen?” zegt de verpleegkundige scherp. De zoon knikt opgelucht. „Ja. Kan er niet een échte dokter komen?”

Met twee treden tegelijk ren ik de trap af. Ik graai een ‘konijnenpak’ uit de kast, hijs het over mijn kleren en sprint naar OK 2. Scholten staat er een heup te opereren. „Meneer Blauw is...” breng ik hijgend uit, „...aan het doodgaan!”

Scholten kijkt even op van zijn werk, „Mooi. Verder iets?” Verbijsterd staar ik hem aan. „Wat moet ik dóén?” Hij haalt zijn schouders op. „Niks. Hij heeft toch geen pijn?” Ik schets hem hoe Blauw erbij ligt: „Het ziet er...” „Het ziet er akelig uit, ja, voor de familie.” „Maar met morfine...” Scholten schudt zijn hoofd. „We behandelen een patiënt, geen familie. Híj heeft geen morfine nodig. Als je hem dat geeft, om hem sneller te laten overlijden, is dat actieve levensbeëindiging. Daar kun je voor vervolgd worden, meisje. Vertel die mensen dat hij in alle rust sterft. Daar heb ik ze vanmiddag al op voorbereid. Over een kwartier ben ik hier klaar, en loop ik wel langs voor een aai over zijn bol of om te schouwen.”

In februari verschijnt de doktersroman ‘De co-assistent’ bij uitgeverij Podium.

    • Anne Hermans