Zonder geheugen geen toekomst

Sommige mensen met geheugenverlies hebben dubbel pech. Niet alleen herinneren zij zich eerdere ervaringen niet meer, ze kunnen zich ook slecht gebeurtenissen in de toekomst voorstellen.

Een beschadiging aan het belangrijkste hersendeel voor ons geheugen, de hippocampus, leidt onherroepelijk tot geheugenverlies. Nu blijkt dat datzelfde hersendeel ook hard nodig is bij het inbeelden van mogelijke gebeurtenissen in de toekomst. Dat melden de Britse hersenonderzoeker Eleanor Maguire en haar groep vandaag online in het wetenschappelijke tijdschift Proceedings of the National Academy of Sciences.

De hippocampus is een hersenstructuur die in dwarsdoorsnede gekruld is als een zeepaardje (dat als wetenschappelijke naam ook Hippocampus heeft). In iedere hersenhelft ligt een deel. Zuurstofgebrek, bijvoorbeeld door een koolmonoxidevergiftiging of een hartstilstand, kan de hippocampus beschadigen, net als een hersenontsteking in dit gebied of de ziekte van Alzheimer.

Voor de herinnering aan gebeurtenissen met een tijd en een plaats, ofwel het autobiografische geheugen, is de hippocampus cruciaal. Maar hoe dat hersendeel herinneringen oprakelt, en of het alleen tijdelijk nodig is of permanent, dat is nog niet duidelijk. Eleanor Maguire bestudeerde daarom mensen met geheugenverlies. Voor hen is het soms óók moeilijk zichzelf in de toekomst voor te stellen. Begrijpelijk, want het zich herinneren van oude gebeurtenissen is psychologisch in veel opzichten vergelijkbaar met het construeren van fictieve. Maguire wilde weten of dat ook komt door een beschadigde hippocampus.

Vijf mannelijke patiënten met schade aan de hippocampus in beide hersenhelften moesten denkbeeldige situaties in de toekomst beschrijven. Bij iedere patiënt hadden de onderzoekers twee gezonde mannen gezocht met dezelfde leeftijd en hetzelfde opleidingsniveau en IQ. Alle deelnemers moesten tien scenario’s beschrijven. Zeven daarvan waren algemene situaties, zoals een strand, een bar, een museum of een bos. Drie scenario’s gingen over persoonlijke onderwerpen, zoals een aankomend kerstdiner, of een ontmoeting met een vriend. De deelnemers werd met klem gevraagd om niet iets op te diepen uit hun herinnering, maar echt iets nieuws te verzinnen. Steeds was de opdracht ook opgeschreven op een kaartje voor de deelnemer, om te voorkomen dat de geheugenloze patiënten de vraag zouden vergeten tijdens het onderzoek.

De patiënten vertelden dat zij de toekomstige ervaringen niet goed konden visualiseren. Ze zagen alleen een verzameling losse beelden, zonder een verbindend toneel. De gezonde mensen daarentegen schetsten gedetailleerde samenhangende scènes.

Zo vertelde één van de patiënten het volgende bij de opdracht zich voor te stellen dat hij op een wit zandstrand ligt: „Ik zie eigenlijk niets, behalve de lucht. Ik hoor het geluid van zeemeeuwen en van de zee...eeh...ik voel de zandkorrels tussen mijn vingers...eeh...ik hoor de stoomfluit van een boot. Dat is het zo’n beetje.”

Bij dezelfde opdracht vertelde een gezonde deelnemer: „Het is erg warm en de zon beukt op me neer. Het zand waarop ik lig is bijna ondraaglijk heet. Ik hoor het geluid van zacht klotsende golfjes op het strand. De kleur van de zee is een prachtig aquamarijn. Achter mij staat een rij palmbomen. Ik hoor ze af en toe ruisen in de zachte bries. (...) Op zee is een vissersboot. Een tamelijk oude, gammele boot die voorbij tuft op zijn kleine motor. Er staat een cabine in het midden van de boot en er ligt een stapel netten achterop. Er staat een jongen aan de voorkant en ik zwaai naar hem en hij zwaait terug...”

De onderzoekers stelden vast hoe kleurrijk een verhaal was op een schaal van nul tot zestig, door punten toe te kennen aan verschillende aspecten van de vertelling. Om te beginnen bekeken ze de inhoud van het verhaal. Zij letten bijvoorbeeld op wat de deelnemer vertelde over de omgeving, hoeveel personen hij opvoerde, of er zintuiglijke beschrijvingen waren, en beschrijvingen van gedachten, emoties of handelingen.

Verder beoordeelden de onderzoekers ook de mate waarin de deelnemer zelf vond dat het verhaal mooi en gevoelsmatig goed mogelijk was, of er een verbindende achtergrond was in de vertelling, en hoe de kwaliteit van het verhaal op de luisteraar overkwam.

De patiënten scoorden beduidend lager met hun verhalen: 27,5 tegen 45 in de controlegroep. Dit verschil bleef wanneer de subjectieve beoordeling van de kwaliteit buiten beschouwing werd gelaten. Er was geen verschil tussen de verhalen over algemene situaties en de persoonlijke. Inhoudelijk waren de verhalen schraler, maar vooral de verbindende achtergrond was ver te zoeken in de patiëntenverhalen.

„De hippocampus blijkt voor meer dingen belangrijk dan alleen voor het opnieuw beleven van eerdere ervaringen”, vertelt Maguire in een begeleidend persbericht. „Hij lijkt ook nodig voor het vermogen om je toekomstige gebeurtenissen voor te stellen. In dat opzicht zijn mensen met schade aan de hippocampus gedoemd om in het heden te leven.”

    • Niki Korteweg