Schaatsreclame in heerlijk zonnetje

Het EK in Collalbo was een groot feest en reclame voor het schaatsen op buitenbanen.

Maar door de commercie dreigen de buitenbanen voorgoed te verdwijnen.

Idyllisch: de buitenbaan van Collalbo bij valavond. Foto Reuters A general view shows the 5000 metres European Speed Skating Championships race at the outdoor Ritten Arena in Collalbo, Italy, January 12, 2007. REUTERS/Jerry Lampen (ITALY) Reuters

Schaatsfans in T-shirt smeerden zonnebrandcrème op armen en benen. IJsmachines draaiden overuren om het water in bevroren toestand te houden.

Het Europees kampioenschap in het Italiaanse bergdorp Collalbo was een drie dagen durend reclameblok voor het schaatsen in de open lucht – en dat in een tijdperk waarin overal ter wereld miljoenen worden geïnvesteerd in overdekte ijshallen. Zelfs op een legendarische baan als die van het Zuid-Duitse Inzell, bestaan plannen voor een overkapping. In het verleden had Inzell, net als Davos (Zwitserland) en de Medeo-baan in het toenmalige Alma Ata (Kazachstan), dezelfde magische klank voor topschaatsers als Salt Lake City en Calgary nu.

Maar het weer moet meezitten. Het kunstijs van de Arena Ritten in Collalbo, gelegen op 1.200 meter hoogte tegen het spectaculaire decor van de Dolomieten, produceerde afgelopen weekeinde razendsnelle tijden, ondanks bijna subtropische temperaturen. Nagenoeg alle wereldrecords op buitenijs sneuvelden. Het Italiaanse ijs was zelfs zo goed dat dweilen nauwelijks nodig was.

Een Nederlander genoot het meest van de schilderachtige omgeving: Sven Kramer, die niet snel wordt geassocieerd met de heroïek van het buitenschaatsen. Hij leerde zijn vak op klapschaatsen in overdekte sporthallen – een atleet die tijdens het inrijden een zonnebril draagt met ingebouwde mp3-speler. Maar in de frisse buitenlucht van Collalbo reed hij het toernooi van zijn leven. Een „magnifiek toernooi”, vond hij.

Maar ondanks het perfecte scenario in Collalbo zal hij zich niet snel opwerpen als ambassadeur van het buitenschaatsen. Voor nostalgie is geen plaats in het moderne schaatsen, waarin sponsors jaarlijks miljoenen euro’s uitgeven om hun rijders op het hoogste niveau te krijgen. Plaatsen als Deventer, Eskilstuna, Larvik, Grenoble of Trondheim, die vroeger regelmatig een EK kregen toegewezen, liggen al jaren links.

Sven Kramer, maar ook Ireen Wüst, kennen de heldenverhalen over het buitenijs: heroïsche prestaties in sneeuwstormen, met temperaturen van twintig graden onder nul – de schaatsgeschiedenis kent er genoeg. Wüst en Kramer schaatsten twee jaar geleden een junioren-WK in het Finse Seinäjoki bij vergelijkbare temperaturen – en wonnen allebei.

Ze vinden het allemaal prachtig, dat buitenijs, maar voor hen telt alleen of de omstandigheden voor iedereen gelijk zijn. Neem de WK’s van 1988 (Alma Ata, gewonnen door de Amerikaan Eric Flaim, voor Leo Visser), Innsbruck (1990, de Noor Johann Olav Koss) en Gotenburg (1994, opnieuw Koss) – toernooien die werden geteisterd door storm, sneeuw, bliksem of regen. In 2001, in Boedapest, waar Rintje Ritsma voor het laatst wereldkampioen werd, gooide zelfs de zon roet in het eten; door de dooi verhuisde een deel van het programma naar de avond.

„Het is fantastisch buiten te rijden in Collalbo”, zei Sven Kramer zaterdagavond, nog voordat hij Europees kampioen was geworden. „Maar of we vaker buiten zouden moeten rijden? Als het een beetje eerlijk is… Mijn vader is ook een keer geflest op de tien kilometer.”

De grillen van het buitenschaatsen hangen al bijna een kwart eeuw als een schaduw boven de familie Kramer. De Europese titel van Collalbo was niet alleen een triomf voor de zoon, maar betekende ook een klein beetje gerechtigheid voor de vader; Yep Kramer was in 1983 een bijna zekere titel ontnomen door de dwaling van een ijsmeester na een hagelbui boven Den Haag. Het zou de eerste grote prijs worden voor de man die meestal in de schaduw schaatste van Hilbert van der Duim en Frits Schalij – totdat de ijsmeester de baan voor zijn tien kilometer abusievelijk liet dweilen, in plaats van schaven, waardoor die veranderde in een vloer van schuurpapier. Van der Duim profiteerde, Kramer moest het na zijn helletocht (15.18,18) doen met zilver. De Europees kampioen van Collalbo, 2007 moest toen nog geboren worden, maar hij kent het verhaal uit de eerste hand.

Ireen Wüst reed zaterdagmiddag een tegenvallende 3.000 meter zonder dat zij het in de gaten had gehad. In de minuten voor haar race was de temperatuur plotseling met enkele graden gedaald, waardoor het ijs stroever was geworden. „Ik dacht dat ik lekker reed, maar mijn rondetijden liepen heel snel op. Volgens Gerard (Kemkers, haar coach, red.) had dat met de temperatuurdaling te maken. Het is gaaf om lekker in het zonnetje te rijden, maar dit is één van de nadelen. Dat weet je op een buitenbaan. Een andere dag is het weer in je voordeel.”

Maar Kemkers was sceptischer over haar kansen in de buitenlucht. Onregelmatigheden als windvlagen, zijn moeilijk op te vangen met het schaatsritme dat zijn pupil erop na houdt, zei hij.

Wellicht dat het wonderbaarlijke toernooi in Collalbo de internationale schaatsunie (ISU) nog op andere gedachten brengt, maar het doek lijkt te vallen voor de buitentoernooien, mede door de commercie. Schaatsers accepteren geen oneerlijke wedstrijden meer. Voorlopig was het boerenbergdorp in Zuid-Tirol de laatste buitenbaan op de internationale schaatskalender. Volgend jaar is het de beurt het Russische Kolomna (EK allround), Berlijn (WK allround) en Nagano in Japan (WK afstanden). Allemaal indoor.