Schaapjes, kamelen en bermbommen

De Nederlandse legerbasis Poentjak in de Afghaanse Baluchi-vallei ligt in vijandelijk Talibaan-gebied.

Nederlandse militairen voeren in het gebied de druk op. Vrijwel geen etmaal gaat voorbij zonder schietincident.

De basis Poentjak, gelegen op een rotsplateau, vanwaar de Nederlandse militairen de uitgang van de Baluchi-pas in de gaten houden. Foto AudioVisuele Dienst Defensie Task Force Uruzgan. ISAF, Afghanistan, Uruzgan, TF-U kamp Poentjak Bronvermelding verplicht: foto AudioVisuele Dienst Defensie AudioVisuele Dienst Defensie

Sorkh Morghab. - „De Talibaan zijn er niet blij mee”, zeggen de soldaten over de vooruitgeschoven basis Poentjak, waar je met verrekijkers de uitgang van de Baluchi-pas in de gaten kunt houden. Vrijwel geen etmaal gaat voorbij zonder een schietincident bij Poentjak, gelegen op een rotsplateau middenin een weidse vlakte. De Baluchi-pas is voor de Talibaan een van de voornaamste toegangswegen tot het zuiden van Afghanistan, de vallei daarachter is nog in hun handen. Maar niet voor altijd, is de bedoeling – de vermoedelijk grootste militaire uitdaging waarvoor de Nederlandse troepenmacht in de Afghaanse provincie Uruzgan zich gesteld ziet.

Bij toerbeurt vervullen de in het centrum van Uruzgan, Tarin Kowt, gelegerde Nederlandse troepen dienst in Poentjak – overigens door de Nederlanders zo vernoemd naar een beroemde vooruitgeschoven post op Java, tijdens de eerste politionele actie in 1947. Sommigen, soms al lang beroepsmilitair, vertellen bij Poentjak hun vuurdoop te hebben beleefd. „Het was goed om te merken dat wat je zó lang hebt gedrild en geoefend”, zegt een sergeant wiens patrouille te voet met geweren en ‘rpg’s’ (rocket propelled grenades) werd bestookt, „ook inderdaad blijkt te werken. Het is als een film, die aan je voorbij trekt.”

Zondag is er geen Nederlandse eenheid door de Talibaan aangevallen, maar er is in de streek genoeg gebeurd de afgelopen dagen, blijkt als we maandag in alle vroegte met een pantserinfanterie-eenheid uit Tarin Kowt naar Poentjak zullen vertrekken en de pelotonscommandant, nog in de donkere nacht, de manschappen brieft naast de al ronkende motoren van de pantservoertuigen.

„De Afghaanse politie op de ‘basis noord’ is aan het muiten geslagen en heeft de post die het dichtst bij de Talibaan was ontruimd”, zegt de pelotonscommandant. In plaats daarvan hebben de Afghanen elders een post ingericht, op de westoever van de rivier die vanuit de pas de vlakte instroomt. „Verder strooit de vijand met IED’s” (improvised explosive devices, oftewel bermbommen, red.), vervolgt de luitenant, „dus let op, dit is een risicovolle verplaatsing”. Vervolgens behandelt hij de richtlijnen in het geval van een hinderlaag en een vuurgevecht. Wanneer de colonne zich bij het eerste daglicht in beweging zet, meldt de boordradio dat er vandaag al weer twee IED’s zijn gevonden langs de directe weg van Tarin Kowt naar Poentjak, die door een zone met boerendorpen loopt, door de Nederlanders ‘green zone’ genoemd.

Zolang die niet zijn opgeruimd, valt aan de kortste weg niet te denken. Maar voor de pantserinfanterie is dat geen bezwaar. In een gespannen sfeer begint het konvooi aan een omtrekkende beweging door het woestijnachtige gebied ten zuiden van de ‘green zone’. Maar ook daar zijn ‘Qala’s’, ommuurde boerenhoeven, die zich uitstekend lenen voor overvallen; ook daar zijn nauwe doorgangen en kleine dalen, waar IED’s verstopt kunnen zijn; en komen vrachtauto’s en brommers voorbij die voor een zelfmoordaanslag kunnen dienen.

Na ongeveer anderhalf uur rijden in stofwolken van zand betrekt het konvooi een cirkelvormige opstelling op een hoog punt. Eerst moet een klein dal worden doorzocht op IED’s. Via de radio is te horen hoe de uitkijkposten waarschuwen voor mogelijke plaatsen waar een bermbom verstopt zouden kunnen zijn: iets wat lijkt op een klein pakje in een bosje, iets wat lijkt op een vlaggetje langs de weg. Inmiddels wordt het gedrag van mensen die soms nog op grote afstand zijn, geobserveerd: een man die iets lijkt te laten vallen, iemand die de militairen observeert en dus een ‘spotter’ van de Talibaan zou kunnen zijn. „Ze houden ons voortdurend in de gaten en analyseren ons optreden”, aldus een militair.

Zelfs de meereizende journalist krijgt op het hart gedrukt, onmiddellijk te waarschuwen als hij iemand met een draagbare telefoon in de weer ziet: veel bermbommen worden immers daarmee tot ontploffing gebracht. Dat de Talibaan ons hier wel degelijk in de gaten heeft is duidelijk uit hun radioverkeer, dat de Nederlanders afluisteren. De gesprekken komen echter uit een dorp waar het konvooi omheen rijdt, zodat een mogelijke hinderlaag daar de commandant geen zorgen baart.

Dit tafereel – de cirkelvormige opstelling, de verkenning – zal zich in de loop van de dag een aantal malen herhalen. Op het punt waar het konvooi vanuit de woestijn de ‘green zone’ wil inrijden ligt een klein dorp, deels bestaand uit geïmproviseerde nomadenhutten. Een oude man aan de ingang van het dorp gebaart dat de pantservoertuigen er niet door mogen. Hoewel onduidelijk is of hij tegen iets wil waarschuwen of dat zijn gedrag uit afkeer van ons wordt ingegeven, besluit de commandant tot nóg een omweg door de woestijn. „Zoveel vrienden hebben we hier nu ook weer niet, dus we gaan zo’n dorp niet tegen de haren instrijken”, zegt een militair.

Tenslotte komen we vanuit de uiterste noordpunt de ‘green zone’ binnen, onder het hooggebergte waarachter de Talibaan zich verschanst heeft. Er ligt een verlaten, verwoest dorp – getuige van een van de vele oorlogen die Afghanistan sinds 1979 gekend heeft. Zuidoostwaarts richting Poentjak rijdend ontbreken de juichende kindertjes en groetende volwassenen die de militairen in de omgeving van Tarin Kowt nog wel eens zien. „Logisch”, zegt een infanterist: „Als ze hier met ons contact maken, komt ’s nachts de Talibaan langs de deur en hangen ze morgen aan de boom.” Een van de schaarse levende wezens langs de weg is een man op een kleedje die bidt richting Mekka. Hij negeert de luidruchtige colonne volkomen.

Na vijf uur bereiken we Poentjak – een verzameling containers, wallen van zakken met stenen (de zogenoemde hesco’s) en met zandzakken gemaakte schutterstellingen. Het uitzicht over de Baluchi-pas is adembenemend en volledig – geen wonder dat de Talibaan de Nederlanders hier graag weg wil hebben. In de velden rond het plateau weiden herders schapen en kamelen. Het dichtstbijzijnde dorp heet Sorkh Morghab. Veel tijd om rond te kijken is er niet. De door de pantserinfanteristen afgeloste ploeg militairen heeft haast om terug te keren naar het relatieve comfort van de Nederlandse hoofdbasis Tarin Kowt. Alle IED’s langs de weg door de ‘green zone’ zijn inmiddels opgeruimd, de strategische punten langs de weg worden ingenomen door Nederlandse militairen. Nu duurt de tocht maar twee uur.

Dit artikel is door Defensie nagelezen op veiligheidsaspecten, maar niet veranderd.