Maag van een dino gevuld met stenen

De grootste dinosaurus gebruikte stenen in zijn maag niet om planten te vermalen.

Dat blijkt uit experimenten met zijn naast levende verwant: de struisvogel.

Blokjes graniet (2x2 cm) lossen op in de maag van een struisvogel. Op de foto blokjes na 0, 1, 8, 42 en 50 dagen. Foto Universiteit Bonn Universiteit Bonn

Neem het lichaam van een Afrikaanse olifant, blaas het vier keer op en plaats er een torenhoge nek op. Zie daar de lichaamsbouw van sauropoden, de grootste landdieren die ooit geleefd hebben – lang geleden: 200 tot 65 miljoen jaar geleden.

Hoe hielden deze giganten zich in leven? Ze hadden een kleine kop en vaak dunne potloodtanden: ongeschikt om hun vermeende dieet, grote hoeveelheid vezelige planten, te vermalen. Met de ontdekking van gepolijste stenen in de fossiele buikholte van sauropoden dachten paleontologen het raadsel te hebben opgelost. Net als veel vogels maalden de sauropoden plantenvezels fijn in een maag die bekleed was met spieren en gevuld met stenen (‘gastrolieten’) .

Een mooi verhaal, maar het klopt niet. Dat concluderen Duitse paleontologen eind vorige maand in een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the Royal Society B. Bij gebrek aan levende sauropoden experimenteerden Oliver Wings en Martin Sander van het Institut für Paleontologie in Bonn met hun naaste levende verwanten: struisvogels.

Net als sauropoden leeft de struisvogel van vezelachtig plantenmateriaal. En van de struisvogel weten we dat hij zijn spiermaag gebruikt als molen om die plantenvezels fijn te malen. Het stenengerommel dat ontstaat doordat zijn spiermaag drie keer per minuut samentrekt, is soms aan de buitenkant te horen.

Als proefdieren gebruikten Wings en Sander struisvogels op een boerderij nabij het West-Duitse Remagen. Ze boden de dieren kalksteen, kwarts en graniet aan, blokjes steen die met genoegen werden geaccepteerd. Stenen behoren tot het dagelijkse dieet van deze struisvogels. Bij de slacht, één tot zestig dagen nadat de stenen waren ingeslikt, bekeken de Duitsers wat er met de stenen gebeurd was. Onder invloed van zure maagsappen was het kalksteen binnen 24 uur weg, en ook het graniet erodeerde snel tot ruwe brokken. Het kwarts was van alle stenen het meest bestendig. Na zestig dagen was zo’n 15 procent van de steenmassa verdwenen.

Cruciaal was dat alle stenen een ruw oppervlak hadden en geen gelijkenis vertonen met de gepolijste stenen die in de fossielen van sauropoden zijn gevonden. Wings en Sander wijzen erop dat niet alleen het uiterlijk van de stenen, maar ook de hoeveelheid erop duidt dat sauropoden planten niet vermaalden met stenen in hun maag.

Een vergelijking van 27 vogelsoorten laat zien dat de gastrolieten een vrij stabiele 1,05 procent uitmaken van het lichaamsgewicht, van een 17 gram wegend roodborstje tot een 89 kilo zware struisvogel. De Duitse paleontologen trekken deze lijn door en concluderen dat steenbergen van 300 tot 500 kilogram zouden moeten zijn aangetroffen in de fossiele buikholte van sauropoden.

Wings en Sander geloven dat de sauropoden grote hoeveelheden plantenresten konden verteren op een andere manier: door ze eindeloos te laten fermenteren in hun enorme lichamen. Toch willen zij niet beweren dat de stenen van buitenaf in de fossielen terecht zijn gekomen. Misschien gebruikten de dieren de stenen als minerale bijvoeding.

Er zijn moderne vogels die met zorg de juiste stenen kiezen, maar andere slikken maar wat. De stenen in de buikholte van dinosaurussen zouden dan te verklaren zijn als de slijtvaste, maar eindeloos gepolijste restanten van een willekeurig stenendieet.

Wings en Sanders wijzen erop dat gastrolieten veelvuldig zijn ontdekt in de buikholtes van tweebenige dinosauriërs, nog nauwer verwant aan de vogels dan de sauropoden. Hier gaat het wel om substantiële hoeveelheden stenen, stenen bovendien die uiterlijk wél sterk lijken op gastrolieten in moderne vogels. De vogelachtige tweebenige dinosauriërs hadden dus niet alleen vogelveren, maar ook een vogelmaag.