‘De vrouwenopvang is een hogedrukpan’

Voor het eerst is onderzoek gedaan naar de opvang van mishandelde vrouwen.

Vooral vrouwen van buitenlandse afkomst krijgen minder hulp dan nodig.

Judith Wolf Foto Michael Kooren Nederland, Utrecht, 28-09-2005, Trimbos Instituut, Onderzoekster Judith Wolf . foto Michael Kooren. onderzoek hulpverlening aan vrouwen Kooren, Michael

De instellingen voor de opvang van mishandelde vrouwen voldoen niet aan de eisen van de moderne tijd. Dat blijkt uit het eerste onderzoek dat er ooit naar gedaan is, door het Trimbos-instituut en het UMC St. Radboud in Nijmegen. Volgens onderzoeker Judith Wolf is de hulpverlening achterhaald, terwijl de vrouwen steeds ernstiger problemen hebben.

Wat zijn de ergste knelpunten?

„Ten eerste de manier waarop vrouwen groepsgewijs worden gehuisvest. Dat is niet meer van deze tijd en het past ook niet bij de mate waarin ze getraumatiseerd zijn. En er moet absoluut meer aandacht komen voor de kinderen. Tachtig procent van de vrouwen in de opvang heeft kinderen en de meesten nemen die ook mee, maar er is voor hen vaak weinig specifieke begeleiding. Het bewaken van de onderlinge verhoudingen kost de werkers veel tijd en energie.

Verder biedt de vrouwenopvang weliswaar asiel, maar er zitten grote hiaten in de hulp. Met de partners gebeurt niets, die zouden toch ook iets van opvoeding moeten krijgen. En de vrouwen willen hulp bij huisvesting, financiën, psychische problemen, veiligheid en weerbaarheid. Maar vooral vrouwen van buitenlandse afkomst, een groeiende groep, krijgen minder hulp dan ze nodig hebben.”

Het valt op dat het woord eerwraak niet valt in het onderzoeksrapport.

„Wij hebben ons nu gericht op de afstemming van de vraag en het aanbod van de hulp en we vinden dat je zoiets belangrijks als eerwraak apart moet onderzoeken. Maar er zitten zeker vrouwen bij die daarmee te maken hebben. In het buitenland geboren vrouwen voelen zich sterker bedreigd door hun familie en schoonfamilie dan vrouwen die in Nederland geboren zijn.

Vrouwen van buitenlandse afkomst zijn sowieso slechter af. Ze zijn meer getraumatiseerd, hebben vaker en ernstiger seksueel geweld meegemaakt, ze worden erger bedreigd en ondervinden minder steun vanuit hun omgeving. En uit de opvang horen we dat die groep groter is geworden. ”

Wat moet er concreet veranderen?

„De vrouwen moeten veel intensiever worden geholpen. Vrouwen die in het buitenland geboren zijn spreken vaak de taal niet en binnen de bureaucratie kennen ze heg noch steg. Ze weten soms niet eens hoe ze de bus naar de sociale dienst moeten nemen of aan welke kant van de straat die stopt.

Er zijn grote verschillen tussen de instellingen in hoe ze met de vrouwen omgaan, maar over het algemeen is de vrouwenopvang meer een hogedrukpan dan een herstellingsoord. Vrouwen mogen maar vier tot zes weken in de crisisopvang blijven, en zes tot negen maanden in de vervolgopvang. Het gebeurt nogal eens dat ze daarna zelf moeten zoeken naar een nieuwe plek. De meesten gaan niet terug naar hun partner.

De helft vindt uiteindelijk een eigen woning, een deel kan bij familie of vrienden terecht, maar er komen er ook veel weer terug in de opvang. Die vrouwen worden een beetje rondgepompt. En als ze eruit komen, blijkt nog steeds ruim zestig procent na een jaar depressief en getraumatiseerd te zijn.”

Hoeveel vrouwen zitten er eigenlijk?

„Dat weten we niet precies. De gegevens daarover zijn heel onbetrouwbaar. Er is ongeveer plaats voor 2.500 à 3.000 vrouwen – die cijfers zijn van een paar jaar geleden. Maar er is een grote ‘omloopsnelheid’, sommige vrouwen komen een aantal keer terug, en er is geen manier om unieke personen te identificeren. Dus de groep die komt is veel groter. Er zijn trouwens ook geen betrouwbare gegevens over het aantal vrouwen dat überhaupt slachtoffer is van mishandeling, maar het zijn er veel meer dan in de opvang zitten.”

Hoe komt het eigenlijk dat er op dit gebied vrijwel geen onderzoek wordt gedaan?

„De Blijf van m’n Lijf huizen, dat waren in het begin gekraakte panden, met weinig geld en veel vrijwilligers. Als dat op een gegeven moment de norm is, weet je ook niet meer wat de norm zou moeten zijn. Ons onderzoek kwam overigens voort uit de constatering dat vrouwen moeilijk de opvang binnenkomen, en het ministerie van Volksgezondheid wilde weten hoe dat kwam. Dat zijn we gaan onderzoeken. Het bleek niet alleen te komen door de beperkte capaciteit; er vindt vaak ook selectie plaats. Er wordt gekeken of vrouwen een hulpvraag kunnen formuleren, of dat ze voldoende zelfredzaam of gemotiveerd zijn. Maar die eisen passen niet goed bij de groep die zich aanmeldt.”

    • Ellen de Bruin