De schande uitwissen

Nederland is vorige week voor de tweede keer door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg veroordeeld wegens schenden van artikel 3 van het Europese mensenrechtenverdrag. Dat artikel luidt: „Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.” Deze keer ging het over de voorgenomen uitzetting van de twintigjarige Somaliër Salah Sheekh. Het Nederlandse besluit hem uit te zetten naar zijn land van herkomst – omdat hij niet zou hebben aangetoond dat daar zijn persoonlijke veiligheid gevaar loopt – betekende volgens het Hof een zware schending van de mensenrechten, aangezien hem een onmenselijke behandeling (marteling of de dood) te wachten stond.

Nu zegt de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak A.H. van Delden dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Niet omdat het veilig zou zijn in Somalië – dat weet Van Delden niet – maar omdat ‘Straatsburg’ de zaak in behandeling heeft genomen zonder dat de Raad van State, als hoogste nationale rechter in bestuurszaken, zich erover heeft uitgesproken. Nederland zal het, in een poging de uitspraak van het Hof te laten terugdraaien, dus gooien op de procedurele vraag of de Raad van State mocht worden gepasseerd. Volgens ‘Straatsburg’ was een uitspraak van de hoogste administratieve rechter in Nederland overbodig, omdat de asielzoeker daar hoe dan ook „vrijwel geen kans op succes” zou hebben.

Dus niet alleen het Nederlandse asielbeleid, ook de Nederlandse rechtsgang in asielzaken voldoet niet aan de maatstaven van het Europese mensenrechtenverdrag.

In een hoofdartikel noemde deze krant de uitspraak „ronduit beschamend voor het vreemdelingenbeleid van het kabinet”. Zo is het ook, maar ik zou nog wel een stapje verder willen gaan. Ik schaam mij niet alleen voor het asielbeleid van het kabinet, ik schaam me voor Nederland. Omdat ik Nederlander ben, schaam ik mij.

Iedereen herinnert zich hoe premier Balkenende tijdens de verkiezingscampagne tot vervelens toe tamboereerde op zijn „trots op Nederland”. Als er morgen verkiezingen waren, dan was de premier trots op Sven Kramer, de Europese schaatskampioen. Wie collectieve trots kan voelen (‘wat kunnen wij, Nederlanders, verschrikkelijk hard schaatsen’), moet ook collectieve schaamte kunnen opbrengen.

De schending van de mensenrechten door Nederland, onder leiding van de normen-en-waardenfetisjisten, is des te pijnlijker omdat ons land zich profileert als het centrum en de behoeder van het internationale recht. Wij huisvesten het Internationaal Gerechtshof in het Vredespaleis, onze militairen concentreren zich op vredesoperaties, wij zijn het gastland van het Joegoslavië-tribunaal en van het Internationale Strafhof, wij hebben sinds 2003 een voorbeeldige Wet internationale misdrijven. En dan dit.

Natuurlijk is het niet minder onbenullig om je als individu schuldig te voelen over door Nederlanders gepleegde wandaden dan als toevallige landgenoot trots te zijn op de individuele prestaties van landgenoten op het gebied van bijvoorbeeld de kunst of de sport. Iets anders is het, als namens alle staatsburgers het optreden van de nationale overheid reden tot schaamte geeft. Dan is het de zaak van alle staatsburgers te verlangen dat de schande wordt uitgewist.

Een pardon voor de onder de ‘oude’ vreemdelingenwet uitgeprocedeerde asielzoekers is nu wel het minste; ik denk dat er alle reden is voor een parlementair onderzoek naar het asielbeleid dat Verdonk, ook op basis van de huidige wet, heeft gevoerd en naar het functioneren van de IND, die blijkens de uitspraak van het Europese Hof onvoldoende rekening houdt met de rechten van de mens. Anders zitten wij over zestig jaar nog met de schuldvraag.

Vorige week donderdag keek ik naar het onvolprezen televisieprogramma Andere Tijden over de door Nederlandse militairen in 1946-1947 op Celebes gepleegde oorlogsmisdaden. Overmorgen komt het tweede deel. Voor het eerst vertellen drie commando’s, die indertijd onder het bevel van de beruchte kapitein Raymond Westerling deelnamen aan de ‘contraterreur’ van het Depot Speciale Troepen tegen de Indonesische nationalisten, hoe zij huishielden onder de inheemse bevolking. Verstijfd van ontzetting hoorde ik het drietal vertellen hoe gruwelijk en meedogenloos zij te werk gingen. Kapitein Westerling liet in drie maanden meer dan vierduizend willekeurig als vee bijeengedreven dorpelingen standrechtelijk doodschieten.

O jawel, die feiten waren bekend. Zij zijn eind jaren zestig voorzichtig toegegeven in de Excessennota, uitvoerig gedocumenteerd in een proefschrift van de militair historicus Jaap de Moor en in deel 12 van Loe de Jongs Het Koninkrijk beschreven als „standrechtelijke bloedbaden”. Toch is het weer anders als je enkele daders zelf hoort vertellen wat zij op hun geweten hebben.

Zij zijn nooit berecht, evenmin als Westerling zelf, omdat de hoogste politieke en militaire autoriteiten hen lieten begaan en alles in de doofpot stopten. Het voert te ver hier de Celebes-affaire en andere bekend geworden oorlogsmisdaden te resumeren, het punt is dat dezelfde ministers, commandanten en bestuursambtenaren die onderling schreven over massamoorden, Gestapo- en Gepeoe-methoden, doof bleven voor elke roep om gerechtigheid, omdat zij zelf aansprakelijk waren.

Oorlogsmisdaden verjaren niet, en een beroep op van hogerhand gegeven bevelen heft de strafbaarheid van de individuele daders niet op, maar deze rechtsregels zijn pas ingevoerd toen de verjaring van de op Celebes en elders gepleegde misdaden al was ingetreden. De onvoltooidheid van dit verleden maakt het optreden van die drie daders in Andere Tijden zo ijzingwekkend. Is daar spijt, inkeer of mededogen?

Nederland is met deze geschiedenis in zes decennia nooit in het reine gekomen. Over Srebrenica, waar van Nederlandse schuld in feite geen sprake was, is tenminste verantwoording afgelegd in een NIOD-rapport en een parlementaire enquête, maar de wond die de in Indonesië gepleegde oorlogsmisdaden heeft geslagen in het nationale geweten, is nooit schoongespoeld.

Het verband met de veroordeling van Nederland door het hof in Straatsburg in de Somalische asielzaak? Dat lijkt me duidelijk. Eeuwige schande over de moordenaars, maar een land kan zijn schande uitwissen. Als wij uit de geschiedenis leren. Als Nederland zijn volkenrechtelijke verplichtingen op het gebied van de mensenrechten met de uiterste nauwgezetheid vervult.

    • Elsbeth Etty