De juf en haar kist

De Telegraaf opende vanochtend de krant met een foto van zestien vrolijk kijkende kleuters rond de door henzelf getimmerde grafkist van hun juf. Ja, ik schrok ook even. Slikte een hap muesli door, toonde de voorpagina vluchtig aan mijn vrouw en vouwde de krant toen zo dat mijn kinderen de foto niet konden zien. Te laat. „Pappa?” hoorde ik al naast mij op de bank, uit een mond vol beschuit met kaas. Hij kauwde als een bezetene, om zo snel mogelijk door te kunnen slikken om ruimte te maken voor zijn vraag. De andere kinderen volgden hun broertje nieuwsgierig. Wat nu? Hoe moest ik die foto gaan uitleggen? Ik kon de vragen al voorspellen: „Wat doen die kinderen pappa?” „Ik wil ook een zaag.” „Mag ik jouw grafkist timmeren?”

Sommige discussies ga ik liever uit de weg. De dood is er een van. Sinterklaas vond ik ook altijd moeilijk. Maar dat heb ik geleerd. Heeft u problemen met het Sinterklaasverhaal, vraag het aan mij, want dat kan ik tegenwoordig goed, dat verhaal met die hulpsinten en gekleurde pieten en dichtgemetselde schoorstenen waar Piet dan toch, is het niet razend knap, een cadeautje bij heeft gezet. De kerstman vind ik alweer moeilijker. Maar ik heb het ze dit jaar gewoon verteld. Ik kon het niet langer aan elkaar breien, met Sint Maarten en Sinterklaas en Kerstmis en Jezus en dan ook nog eens die Kerstman. Bovendien vind ik het toch al een eikel, dat maakte het makkelijker. Ik heb afgelopen Kerst gewoon keihard de confrontatie gezocht: de Kerstman bestaat niet. Hup, basta! In your face. Nou, geen énkel probleem. Opgelost. Eén vraag minder in hun chaotische wereld. Elk antwoord is een goed antwoord, als het maar met veel overtuiging gebracht wordt.

Ik keek nog even naar de foto, op zoek naar antwoorden op de vragen die zouden komen. De kinderen, 6 en 7 jaar oud, schat ik, staan in het handarbeidlokaal van de Iederwijsschool in Someren allemaal lachend en trots rond de, uit vele latjes bestaande, blankhouten doodskist. Eentje heeft een boor in z’n hand, eentje een zaag en anderen hamers. Het is luguber en hartverwarmend tegelijk. Ze hebben de kist getimmerd omdat hun juf een agressieve vorm van baarmoederhalskanker heeft en de juf vindt dat ‘doodgaan geen taboe mag zijn. Waar ik heen ga, is het nog mooier dan op deze wereld. (...) In andere culturen maken nabestaanden toch ook zelf de kist.’

Op een klein fotootje staat juf Eri. Ze kijkt met een opgeruimde, uitdagende blik in de camera. Ik heb met haar te doen. Zo jong, drie kinderen en dan die vreselijke ziekte en haar aanstaande dood, die zij zo moedig omarmt als deel van het leven. Haar eigen kinderen timmeren ook mee aan de kist, die ontworpen is door een andere leerkracht van de school. Volgens het bericht staat iedereen op de school, waar de kinderen zelf bepalen wat ze leren en in welk tempo, achter de juf en haar kist. Ik vind het voor een school waar de kinderen zelf mogen bepalen wat ze leren wel een behoorlijk dwingend project. Wat zou ik ervan vinden als dat een van mijn kinderen was, daar op de foto, aan het werk aan een lijkkist?

„Pappa?” De mond was leeg gekauwd. De klont beschuit was met geknepen ogen door de slokdarm geperst.

Ik slikte. Ik zou het een grote inbreuk op de gepaste verhouding tussen leerkracht en leerling vinden, maar het, gegeven de indrukwekkende omstandigheden, goedkeuren.

„Pappa? Wat doen die kinderen daar op de foto?”

„Die maken een mooie boot. Om mee in het water te varen. Zie je? Dat meisje houdt de mast vast.”