De hoofdprijs

De dag nadat bekend was geworden dat Maarten Biesheuvel de P.C. Hooftprijs zou krijgen, werd Maarten ’t Hart overladen met felicitaties.

Wij schreven het jaar van het beroemde boek van Orwell. Ik had het boekenweekgeschenk geschreven. Ik signeerde bij boekhandel Kooyker te Leiden. Op een moment dat het aan mijn tafeltje even stil was, sloop een bejaarde dame naderbij. Ze zei: „Dat vind ik nou zo geweldig, meneer Biesheuvel, dat u het boekenweekgeschenk hebt geschreven, zou u er eentje voor mij willen signeren ?”

Jaren eerder was mij, toen ik bij boekhandel Van der Galie in Utrecht signeerde, ook al overkomen dat een reuze aardig meisje voorstelde om na afloop van de signeersessie iets te gaan drinken. Eenmaal in de kroeg bleek dat ook zij dacht dat ik Maarten Biesheuvel was en toen ik haar uit de droom hielp, was zij niet alleen diep teleurgesteld, maar ging ze er terstond vandoor. Dus die oude dame bij Kooyker wou ik zo’n deceptie besparen. Vaak genoeg had ik bij signeersessies naast Bies gezeten, dus ik wist precies hoe hij signeerde. In De Ortolaan zette ik derhalve zwierig zijn handtekening J.M.A. Biesheuvel met een klein tekeningetje van een kooikershondje eronder. Innig tevreden liep de oude dame met De Ortolaan de winkel uit.

Je zou denken dat zoiets 22 jaar geleden nog mogelijk was, maar nu uiteraard niet meer. Op zaterdagmorgen 16 december 2006 begaf ik mij om half zeven naar de Leidse markt. Hoe vroeger je bent, hoe stiller het nog is. In alle rust kun je dan je inkopen doen. Nergens hoef je te wachten.

Bij de groentenkraam waar ik altijd spinazie aanschaf, riep de verkoper mij luidkeels toe: „Gefeliciteerd, Maarten, ik hoorde ’t gisteravond laat op ’t nieuws, je hebt een belangrijke prijs gewonnen.” Hij greep mijn hand, schudde die langdurig, en riep met schallende verkopersstem: „Maarten heeft de hoofdprijs gewonnen.” Vanuit de belendende kramen kwamen diverse neringdoenden nieuwsgierig aanlopen, en de een na de ander feliciteerde mij.

„Wat moet ik doen?” dacht ik vol vertwijfeling, „dit kan toch niet?” Terwijl ik de ene hand na de andere schudde, dacht ik na over een formulering waarmee ik deze misleiden snel en toch zonder dat er sprake zou zijn van ontgoocheling uit de droom zou helpen.

„Waarmee heeft Maarten de hoofdprijs gewonnen?” vroeg de kaasboer, „met de lotto?”

„Nee, niet met de lotto”, zei Jan van de vishandel.

„Postcodeloterij dan?”

„Nee, iets uit de boekenwereld, maar ’t fijne ervan is me ontgaan, het enige wat me is bijgebleven was dat het geen klein prijsje is maar een hoofdprijs.”

„Zo, zo, Maarten”, vroeg de poelier, „hoeveel dan?”

„Zestigduizend euro”, zei ik.

Er viel een stilte. Stomverbaasd keken de verkopers mij een poosje aan, toen zei de poelier gedesillusioneerd: „Zestigduizend euro, en dat moet dan de hoofdprijs heten, nou moe, da’s anders niks meer dan een fooitje bij de postcodeloterij, bij al die supershows op de buis gaan ze d’r vaak met meer dan tienmaal zoveel vandoor.”

„Wat is hier aan de hand?” vroeg het blonde meisje dat met haar koffiekarretje voorreed.

„Maarten hier heeft een hoofdprijs gewonnen. Dat zul je toch wel gezien hebben gisteravond op 't nieuws?”

Scherp keek het meisje mij aan. „Wil er iemand koffie?” vroeg ze vervolgens. Toen ze allemaal ja riepen en mijn spinazieman het meisje vervolgens verheugd aankondigde dat ik dat rondje koffie voor iedereen zou betalen omdat ik die hoofdprijs had gewonnen, keek ze me, terwijl ze witte plastic bekertjes volschonk, nogmaals scherp aan en zei toen: „Maar hij is die vent helemaal niet die ze gisteren in ’t nieuws lieten zien, die vent van die prijs.”

Er verscheen een glinstering in de ogen van de spinazieman.

„Dat weet jij misschien nog niet,” zei hij tegen het koffiemeisje, „maar Maarten hier heeft er af en toe plezier in zich te verkleden.”

„Die man gisteren”, gromde het meisje verontwaardigd, „had een raar ouderwets brilletje op en donker warrig haar.”

„Ja, da’s nou één van z’n vele vermommingen”, zei de spinazieman schelms, „jaren geleden placht hij hier ook nog wel eens als een elegante dame langs te lopen, maar dat zie je vandaag de dag niet meer.”

Terwijl ik met het meisje afrekende, dacht ik: wat kan het mij ook schelen, ik laat ze in de waan, vroeger thuis als ik jarig was en m’n zus dan heel sip rondliep, zei mijn vader altijd tegen haar: „Jij bent ook een beetje jarig”, en dan fleurde ze meteen op. Nou, zo geldt voor mij ook dat ik, omdat Maarten Biesheuvel de P.C. Hooftprijs heeft gekregen, eveneens een beetje jarig ben. Waar bovendien nog bijkomt dat ik niemand de prijs meer gun dan juist mijn naamgenoot. En al is ’t dan een bedrag waar je terecht van kunt zeggen dat het een grijpstuiver is vergeleken met wat er omgaat bij lotto’s en aanverwante verschijnselen, voor de Biesjes is het, daar ze moeten rondkomen van hun AOW – want een pensioen of zoiets hebben ze niet – niettemin een godsgeschenk. Kan hij zichzelf af en toe een beetje verwennen met een fles calvados en een doos Hajeniussigaren. Ondertussen hoop ik dat ze mij die prijs nooit toekennen, want één zo’n duur rondje koffie vind ik meer dan genoeg.

    • Maarten ’t Hart