Achterhaald verdrag

Twee ‘vrienden van Europa’, de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken Ángel Moratinos en zijn Luxemburgse ambtgenoot Asselborn, pleitten gisteren op deze pagina voor invoering van de omstreden Europese grondwet. Die leed schipbreuk in Frankrijk en Nederland, een gebeurtenis die de Europese Unie in een crisis stortte. Maanden navelstaren hoe het verder moet met de EU en het zogenoemde grondwettelijk verdrag hebben niets opgeleverd. Nu Duitsland roulerend voorzitter van de Unie is, lijkt er schot in de zaak te komen. Maar de impasse zal pas echt worden doorbroken als Nederland een kabinet heeft en als dit voorjaar duidelijk is wie de nieuwe president van Frankrijk wordt.

Het pleidooi van de twee bewindslieden is, hoe goedbedoeld ook, naïef en achterhaald. Het grondwettelijk verdrag in zijn huidige vorm is door de Franse en Nederlandse burgers bij referendum afgewezen. Dat feit is niet terug te draaien. Toch kan de EU, die intussen uit 27 lidstaten bestaat, niet zonder een samenhangend en bindend document waarin afspraken staan over het bestuur van Europa. Onderhandelingen hierover zijn onontkoombaar. Dat betekent dat Nederland en Frankrijk moeten nadenken over een verdrag dat ten minste op parlementaire instemming kan rekenen. Het betekent ook dat de achttien landen die eerder wél akkoord gingen met de EU-grondwet, inzien dat ook zij water bij de wijn moeten doen. De Europese Unie bestaat dankzij compromissen. Sterker, de hele EU-grondwet is een aaneenschakeling van compromissen. Waarom zou een schikking dan nu onmogelijk zijn?

Het ‘Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa’, zoals het gewraakte document officieel heet, is een boekwerk van bijna vijfhonderd pagina’s. De Franse presidentskandidaat Sarkozy opperde vorig jaar met recht dat hiervan een afgeslankte versie kan worden samengesteld, die, ontdaan van de pompeuze titel grondwet, een soepeler besluitvorming binnen de Unie garandeert. Welke onderdelen eruit kunnen en welke niet, is een vraag die de politiek moet beantwoorden. Dat vergt moed, want als nationaal politicus zal men – zeker in Nederland en Frankrijk – aan de kiezers moeten uitleggen waarom een verdrag toch nodig is en wat erin moet staan. Dat daar electorale risico’s aan zijn verbonden, is duidelijk. Uitleg dwingt politici tot standpuntbepaling over het functioneren van de EU; nu en in de toekomst. Het dwingt ze kortom om uit hun schulp van provincialisme te kruipen.

In Nederland zal een nieuw kabinet snel werk van Europa moeten maken. De Franse en Nederlandse uitzonderingsposities nopen tot samenwerking, waarbij ook de hulp van de Britten, met hun diepgewortelde afkeer van een Europese constitutie, kan worden ingeroepen. Op 25 maart van dit jaar is het precies een halve eeuw geleden dat het Verdrag van Rome werd ondertekend, de stichtingsakte van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), voorloper van de huidige Europese Unie. Vijftig jaar vrede en welvaart is het herdenken waard, maar dan moet eerst deze crisis worden bezworen. Dat kan alleen met onderhandelen op z’n Europees, dit keer over een aangepast verdrag.