Ontkenning

Als je in Paramaribo loopt moet je zwaaien. Heel veel zwaaien. Het ritueel is als volgt: jij loopt met je handen in je zakken, auto flitst voorbij, vermindert even vaart en toetert. Meestal heb je de inzittende niet gezien, omdat de auto te snel is of de ramen geblindeerd zijn. Maar je zwaait, anders ben je onbeleefd.

Beleefdheid is belangrijk, maar behoorlijk vermoeiend. In landen waar men weinig anders te doen heeft, blijft men elkaar begroeten. De eerste keer hartelijk, later op de middag met een kleine aanraking, en heel laat in de nacht weer hartelijk, omdat je de eerste begroeting al bent vergeten.

Op Curaçao hebben ze daar iets op gevonden, daar wordt afscheid genomen met ‘tot straks’. Wat ook wel klopt, omdat je gedoemd bent elkaar steeds weer tegen te komen, op zo’n klein eilandje.

Beleefdheid is belangrijk en soms vermoeiend, maar meestal ook maar een façade. Je kijkt elkaar nooit aan bij de vraag ‘hoe gaat het’. Want stel je voor dat de ander eerlijk antwoord geeft, wat moet je er dan mee? Hoe armer het land, hoe minder men de waarheid spreekt. Hoe gaat het? Goed man, goed.

Mensen in arme landen besteden veel tijd aan façades. Ik zou, als ik per maand 200 euro verdiende, nooit beweren dat het goed met me gaat.

Maar je komt hier geen mensen tegen die op de vraag hoe het gaat, ‘slecht’ zeggen en daarop: kun je me een tientje lenen. Dat is te veel waarheid voor een mens.

Waarom eigenlijk? Vanwaar de moeite om er verzorgd en netjes bij te lopen? De haren gekamd, de kleren gestreken, de armen gestrekt om maar iedereen hartelijk te begroeten? Vanwaar het verbod op chagrijn en treurnis, terwijl dat toch reëlere opties zijn als je 200 euro verdient en twee kinderen te verzorgen hebt? Het zal de hoop wel zijn, hoop doet niet zozeer leven als wel liegen.

Zie de oudere creoolse vrouw op de centrale markt aan de Saramaccastraat. Smerige omgeving, zware vislucht, hitte en plastic flesjes en overal zwerfvuil. Ze verkoopt de groenten die ze om vijf uur ’s ochtends heeft ingekocht en heeft er vijftig Surinaamse dollars aan verdiend. Nog geen 15 euro, omgerekend.

Dan knapt ze zich op, legt haar schort af, brengt het haar in model, als je niet uitkijkt is er ook iets van parfum, ze trekt ook andere schoenen aan en loopt iets verder in de Saramaccastraat om één uur ’s middags een casino binnen. Een heus casino, met oorverdovend lawaai en licht en namaak palmbomen. Ze gaat zitten aan de tafel en speelt blackjack.

Niks klopt er aan het tafereel, maar waarom zou er iets kloppen? Façades hebben niets te maken met logica of redelijkheid. Natuurlijk was het verstandiger geweest als ze naar huis ging om haar kinderen, en zo te zien zelfs kleinkinderen, te verzorgen.

Maar ze heeft hoop, ze denkt dat ze kans maakt te winnen. Haar bedragje van niks te verdubbelen. Dan heeft ze twee keer niks, en de praktijk leert dat ze over een uurtje alles heeft verloren. Nul keer niks, maar ze leert er niet van.

Het moet knap lastig zijn te leven in een wereld van façades. Als je er erg je best voor doet, kun je veel decoderen. Ik ken een jongen hier die altijd een horloge om heeft en nooit enig idee heeft hoe laat het is. Dat horloge is al maanden stuk. Op de vraag waarom hij het dan om doet, zegt hij: gewoonte man, gewoonte. Niks gewoonte, bedenk je later, hij wil gewoon niemand laten weten dat hij zich geen nieuw horloge kan veroorloven.

V.S. Naipaul zei eens dat men zich in arme landen geen drama of tragedie kan veroorloven. Er is alleen maar schaamte, en schaamte leidt tot komedie. Er zijn arme landen waar men zijn armoede erkent. Die mensen zijn pathetisch. In landen als Suriname waar men alles ontkent, is men alleen maar komisch. Ook letterlijk. Er wordt hier heel veel en heel luid gelachen.

Op avonden waarop men bij elkaar komt op de balkons, worden eigenlijk alleen maar moppen getapt. Hoe meer rum en bier, hoe meer moppen. Hele vervelende, belegen moppen, vaak ook met een racistisch ondertoontje. Maar je lacht mee, want beleefdheid is belangrijk.

Hoe komt een heel land in de ontkenningsfase? Goed, de façades zijn ijzersterk, de winkels zijn geen winkels maar ‘malls’, de auto’s hebben elektrische ramen en automatische portiervergrendelingen die op afstand worden geopend met een komisch elektronisch piepje, iedereen loopt op merkschoenen, namaak uit Brazilië, maar dat geeft niets.

Men is meestal niet verzekerd tegen ziektekosten en elke calamiteit wordt daardoor een ramp, want er is ook niets gespaard, niemand heeft een reserve en de toekomst is hoogst onzeker en we doen allemaal alsof er niets aan de hand is en we gaan vrolijk naar het casino.

In een stad met amper tweehonderdduizend inwoners zijn er zestien casino’s. En ze ogen allemaal als die van Las Vegas, veel glitter en pracht en praal, de croupiers zijn jonge meiden met hele korte minirokjes die zonder merkbaar schuldgevoel de kaarten uitdelen en de oude creoolse vrouwen uitkleden waar ze bij zitten. Het is harteloos en wreed, maar eigenlijk ook wel dolkomisch. Want na een tijdje zie je het niet meer. De schaamte bedoel ik. Je ziet alleen maar hoe men die bedekt. En je gaat geloven in de bedekking, en je zwaait op straat met je handen en je begroet iedereen hartelijk en je hoopt geen antwoord te krijgen op de vraag hoe het gaat. Als er niks meer is, is er altijd nog beleefdheid.

ramdas@nrc.nl

    • Anil Ramdas