Gedichten als maatschappelijk wapen

Voor de dichters en schrijvers op Winternachten geeft hun werk ruimte aan woede en verdriet, over familie en maatschappij.

Rustum Kozain op Winternachten Foto Johannes van Assem foto Johannes van Assem 13-01-2007 De zuid_Afrikaanse Dichter Rustum Kozain op het winternachten festifal in den Haag. Assem, Johannes van

„En wat vindt haar moeder er eigenlijk van dat zij de familiegeschiedenis in de openbaarheid heeft gegooid?” Vraag het aan haar zelf, daar zit ze, antwoordde schrijfster Karin Amatmoekrim. Moeder zit op rij 3, en ze wil wel wat zeggen. „Het is niet erg. Onze familie praat al drie generaties niet met elkaar.” En hoe zit het dan met die vader en met dat weggegeven kind, houdt interviewster Noraly Beyer aan. Dat wordt de moeder te gortig. Of het interview verder op het podium kan worden gevoerd.

In het afsluitende onderdeel van het Haagse Winternachten-festival ging het zaterdag ongegeneerd over wat wel en niet waar was in het werk van drie schrijfsters met wortels in Suriname en Aruba. Dat leidde tot veel goedkeurend en instemmend geruis in de zaal. Uitbundige hilariteit oogstte de Surinaamse dichteres Celestine Raalte met een gedicht over een norse man die zijn vrouw te weinig aandacht geeft, maar wel veel van hengelen houdt. Het gedicht beschrijft hoe toegewijd en precies hij een vis opvangt, ontleedt, met kruiden bereidt en bakt. Wat leidt tot de uitsmijter, de verzuchting van de echtgenote: „O, was ik maar een zoetwatervis, in de grote droge tijd!”

Zelf deden de schrijfsters hun best te benadrukken dat ze fictie schreven, zoals Giselle Ecury. Al werd ze steeds gevangen door Beyer, die wist dat ze dat die demente tante had gemodelleerd naar haar moeder. Toch?

Bij hun mannelijke collega’s Changa Hickinson van Sint Maarten en Sombra uit Suriname ging het een uur eerder niet om liefdesdrama’s en familiegeschiedenissen, maar om politiek. Met poëzie als maatschappelijk wapen. De 39-jarige Hinckinson verdient zijn geld als constructiewerker. Hij uitte authentieke woede in zijn gedichten over armoede, alleenstaande moeders, bloedgeldinvesteerders en „schepen vol holocaust”. In een gedicht vraagt hij zich af hoe erg het is dood te gaan: „Dit koloniale leven is erger/ een eeuwige vloek.”

Helaas liet de overigens goed ingevoerde interviewer Michiel van Kempen na vragen te stellen over het precieze waarom van al die boosheid, en hoe het verder zou moeten met Sint Maarten. Zelfs niet toen Hickinson stelde: „Veel jongens zijn kwaad genoeg om elkaar te vermoorden, maar ze doen niets aan de veroorzakers van hun ellende.”

Vervolgens werd Hickinsons vertaler geciteerd, die stelde dat zulke poëzie andere koek is dan van die „highbrow estheten en neorederijkers” in Nederland. Wat ook opging voor het werk van de bijna zeventigjarige Sombra. Hij bracht de boodschap dat rijke landen de arme landen uitbuitten, en ging binnenlandse identiteitsconflicten niet uit de weg. Zo sloot hij, zelf afkomstig uit Coronie, een district in Suriname, een gedicht af met de regels: „Koning van Coronie/ allochtoon in Paramaribo.” Het sterkst was hij niettemin als selfkicker, met een elektrificerende voordracht waarin hij met veel „pnum kai’s” en „bgrra’s” in een bezeten drum leek te veranderen.

Een festival als Winternachten is er voor het doen van ontdekkingen, stelde inleider Tsead Bruinja bij een onderdeel met jonge dichters. Voor hem was dat de Zuid-Afrikaan Rustum Kozain. De poëzie van de niet zo piepjonge Kozain (40, maar hij debuteerde pas in 2005) bleek een lyrisch en explosief mengsel, met zacht binnenwerk en harde randjes.

Hij opende furieus met Mingus Octopus, met regels als „Oprah op tv/ jankt verdomme weer” en „Mingus goes apeshit in my room”. Maar hij bracht ook een lang, ingetogen gedicht over een autorit door een natuurpark als kind met zijn vader. Zijn strenge, grimmige vader, die als hij wordt aangehouden, zegt: „Nee meneer, we rijden zo maar wat” en „Ja meneer, de auto is van mij”.

Met de groeten aan alle estheten en rederijkers.

    • Ron Rijghard