Een keizerrijk voor een motto

Zoeken ze voor het nieuwe kabinet werkelijk eerst en vooral naar een motto?

Dat hoor je zeggen. Maar het zijn vooral journalisten die het zeggen, dus ik durf er geen vergif op in te nemen. Het kan best zijn dat een verslaggever van het dagblad Trouw na een dagje Beetsterzwaag of Catshuis de bijrijder van André Rouvoet tegen het lijf liep en hem vroeg wat ze die dag precies hadden gedaan, waarop Arie Slob, die voor een vrijgemaakt gereformeerde heel geestig uit de hoek schijnt te kunnen komen, lacherig zou hebben gezegd: „We hebben alleen maar over een motto gebrainstormd.”

Onschuldig grapje. Maar de verslaggever schrijft het op, een collega van Het Parool wil niet achterblijven, en als Wouter Bos ’s avonds in Den Haag Vandaag desgevraagd omzichtig om de vraag blijft heendraaien, is er geen houden meer aan, en staat het als een paal boven water dat we pas een kabinet krijgen als er een motto is gevonden.

Zo gaan die dingen vaak. Zo zie je dikwijls nieuws ontstaan. Zo komen de praatjes in de wereld.

Vanaf dat moment kunnen ze er namelijk ook in politieke kringen niet meer onderuit. Het hele verhaal is weliswaar begonnen met een spotternij van drs. Slob, maar intussen wordt er overal over gepraat, dus je moet meepraten.

Zo liet NRC Handelsblad afgelopen zaterdag Willem Vermeend en Elco Brinkman over de formatie aan het woord, en nadat de twee om beurten alle vrijblijvendheden van de wereld hadden gecommuniceerd, vroegen de gespreksleiders:

„Hebt u een motto voor het kabinet?”

Zelf zou ik hebben geantwoord:

‘Hè, jongens, hou toch ’s op met die onzin.’

Maar Vermeend zei gehoorzaam: „Sterk, groen en sociaal”, en Brinkman: „Nederland gaat het weer maken.”

Op een nieuwjaarsbijeenkomst van het CDA sprak Balkenende trouwens de hoop uit dat het nieuwe kabinet „invulling zal geven aan kwaliteit, binding en samenhang, én participatie”.

Ik miste verantwoordelijkheid, transparantie, fatsoen, ondernemingsgeest, innovatie, normen, waarden, Lingo én de scheepsjongens van Bontekoe. Maar aan de poging van de premier kon je merken dat hij, hardop denkend, op z’n eigen manier ook op zoek was naar een klinkende leus, een pakkende tekst, een prikkelend devies, een gesproken logo, een motto kortom, dat alle volgende kabinetten-Balkenende bij voorbaat tot muziek bestempelden.

Zou, gezien de coalitiekleur, een christelijk motto niet voor de hand liggen?

Zelf dacht ik aan Mattheus 22:21, waarin sprake is van een groepje jongemannen die Jezus het antwoord op een vraag proberen te ontlokken. Journalisten van tweeduizend jaar geleden? Dat zou best kunnen. Ze beginnen ook vervelend stroop te likken, waarschijnlijk in de hoop dat ze de geïnterviewde gunstig kunnen stemmen. „U staat er om bekend,” zeggen ze, „dat u altijd eerlijk en transparant voor uw mening uitkomt, dat u als het ware zegt wat u denkt, en voor uw woorden ook steeds de volle verantwoordelijkheid neemt. Wat vindt u, mogen wij belasting afdragen aan de keizer van Rome?”

Het zou natuurlijk groot nieuws zijn geweest (‘Vermeende messias roept joden op tot fiscale boycot’) als Jezus de vraag ontkennend had beantwoord. Maar tot ieders verbazing zei hij in de nieuwe vertaling: „Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.” En de verslaggevers verlieten teleurgesteld de persconferentie.

De omstandigheid dat de vragenstellers provocateurs zouden zijn geweest die Jezus er bij de toenmalige bezettingsautoriteiten bij hadden moeten lappen, hoeft er verder niet toe te doen. Maar zou het bijbelse citaat niet op krachtige wijze invulling geven aan het regeringsverlangen om Kerk en Staat strikt gescheiden te houden, artikel 23 uit de Grondwet te schrappen, en de afspraken over abortus, euthanasie en homohuwelijk ongerept te laten?