Diploma zegt weinig

Het vwo-diploma biedt geen garantie meer dat iemand hoger onderwijs kan volgen. Universiteiten en hogescholen moeten steeds vaker bijspijkercursussen geven in taal en wiskunde. Het kennispeil van een gediplomeerde is vaak onvoldoende. Studenten kunnen soms niet behoorlijk spellen of de vereiste berekeningen uitvoeren. Het is goed dat universiteiten en hogescholen de lacunes in het middelbaar onderwijs willen opvullen, maar ze zijn niet voor middelbaar onderwijs bedoeld. De tijd die een universiteit of hogeschool aan spelling besteedt, gaat ten koste van hoger onderwijs.

Er zijn twee oorzaken voor deze daling van het niveau van het middelbaar onderwijs. Het aantal leerlingen bij het vwo groeit en tegelijkertijd daalt het opleidingspeil van de leraren. Als een groter deel van de bevolking toegang krijgt tot het middelbare en hoger onderwijs – hetgeen de overheid nastreeft – daalt vanzelf het gemiddelde peil van de leerlingen. Dat is een statistische wetmatigheid. Toch moeten ook minder begaafde leerlingen goed kunnen leren rekenen, spellen en schrijven. Dat leerden ze vroeger ook op een lager niveau. Het is merkwaardig dat deze bekwaamheden bij de nieuwe nadruk in het onderwijs op ‘vaardigheden’ worden overgeslagen. Verwonderlijk is het niet, aangezien ook het opleidingsniveau van de leraren daalt. Het vak heeft minder status. Dat geldt voor alle rijke westerse landen waar op de arbeidsmarkt veel aantrekkelijke en goed betaalde alternatieven voor het leraarschap worden geboden. Daarbij heeft Nederland door reorganisaties, loonsverlaging voor leraren en opwaardering van managementfuncties weinig rekening gehouden met de mensen die voor de klas staan. In de laatste reorganisatie, het studiehuis, is de leraar gedegradeerd tot onderwijsmedewerker bij leerlingen die minder hoeven te leren en meer mogen opzoeken. Lager opgeleide leraren voelen zich beter in zo’n systeem thuis.

De onderwijscrisis kan niet worden opgelost door zonder meer het salaris van leraren te verhogen. Het vak zelf moet aantrekkelijker worden. Dat kan door meer eisen te stellen aan de leerlingen, zodat die een reden hebben om harder te werken. Een streng centraal schriftelijk eindexamen kan leerlingen motiveren. Dat eindexamen verwatert omdat scholen meer vrijheid krijgen in onderwijsmethoden en omdat de cijfers worden gemiddeld met meestal hogere resultaten van het eigen schoolonderzoek. Er wordt zelfs geëxperimenteerd met mogelijkheden om gedurende het hele jaar vakken centraal te examineren.

Het centraal schriftelijk eindexamen mag niet langer verwateren. Internationaal blijkt dat landen met een centraal schriftelijk eindexamen een hoger onderwijsniveau weten te handhaven. Gediplomeerden moeten in staat zijn hoger onderwijs te volgen. Als het middelbare onderwijs verder afkalft, zullen universiteiten gedwongen worden over te gaan tot toelatingsexamens, waarbij de gestelde eisen gevarieerd kunnen worden al naar gelang het niveau van het geboden onderwijs. Met algemeen vormende vakken kunnen universitaire ‘colleges’ naar Angelsaksisch model de leemten van het middelbare onderwijs aanvullen. Het lijkt erop dat het onderwijs met lossere normen voor groeiende aantallen studenten deze weg opgaat.