Complexe wereld vraagt één Europa ...

Europa kan zich niet de luxe permitteren afwezig te zijn bij de aanpak van grote mondiale problemen. De ‘grondwet’ is daarvoor het beste instrument, menen Miguel Ángel Moratinos en Jean Asselborn.

Wij zijn al met zijn zevenentwintigen! Van het graafschap Kerry tot de Oostelijke Karpaten, van Lapland tot de Canarische Eilanden! Bijna 500 miljoen inwoners die leven in een situatie van vrede en sociale en economische vooruitgang die waarschijnlijk haar weerga niet kent in de geschiedenis.

Desondanks vragen wij ons nu reeds meer dan een tiental jaren af, sedert het beroemde Verdrag van Maastricht, wat voor een Europa wij willen. Blijkbaar is het niet gemakkelijk deze vraag te beantwoorden.

Gedurende veel, te veel, tijd hebben wij getracht deze vraag te beantwoorden zonder goed voor ogen te hebben wat daarvan het onderwerp vormt: het gaat er niet om te bepalen welk Europa wij politici en hoge functionarissen van de instellingen van de Europese Unie willen, maar om te ontdekken welk Europa ‘wij’ burgers willen.

Toen de Europese leiders meer dan vijf jaar geleden constateerden dat de Europese Unie geen toekomst had wanneer deze niet kon rekenen op duidelijke steun en betrokkenheid van de burgers, spraken zij af een forum (conventie) op te zetten waar nieuwe voorstellen moesten worden geformuleerd. Dit leidde tot de opstelling en aanvaarding van het Verdrag ter vaststelling van een grondwet voor Europa, dat op 29 oktober 2004 in Rome ondertekend werd door alle regeringen van de huidige lidstaten van de Unie.

De tekst van het grondwettelijk verdrag is ongetwijfeld niet perfect, evenmin als de democratie waar wij van genieten als regeringsvorm, maar het is het beste van de systemen die wij kennen. De politiek is de kunst van het mogelijke, opgetooid met de gezonde ambitie om morgen te proberen wat vandaag onmogelijk lijkt.

Het grondwettelijk verdrag tracht oplossingen aan te dragen of ten minste wegen naar vooruitgang aan te geven, opdat de Europese Unie en haar lidstaten het hoofd kunnen bieden aan de grote uitdagingen die ons gesteld worden door de nieuwe sociale en economische realiteit, binnen en buiten onze grenzen. Het doel is doeltreffend te beantwoorden aan de verwachtingen van de burgers in zaken als de zorg voor het milieu, energiebeleid, immigratie, ontwikkelingssamenwerking, veiligheid zowel in binnen- als buitenland, etc.

Een gebied waarop het grondwettelijk verdrag in het bijzonder een duidelijke vooruitgang betekent, is dat met betrekking tot de buitenlandse politiek van de Unie. Toen begonnen werd met de werkzaamheden die zouden leiden tot de aanvaarding van deze nieuwe tekst, werd niet tevergeefs onmiddellijk geconstateerd dat er in het bijzonder twee gebieden zijn waarop de Europese burgers veel verwachtten van de Unie. Eén gebied had betrekking op de ontwikkeling van een authentieke ‘ruimte’ van vrijheid, veiligheid en justitie. Het andere gebied is de buitenlandse politiek.

De tekst begint met het vastleggen van enkele ambitieuze doeleinden, een weerslag van de wens van de mannen en vrouwen van Europa om trots te kunnen zijn op een Unie die speler is en niet slechts toeschouwer in de internationale betrekkingen, maar bovenal op een Unie die zich altijd beroemt op de verdediging en bevordering van haar waarden.

Waarden die luid en duidelijk verkondigd worden door het grondwettelijk Verdrag, wanneer meteen aan het begin bepaald wordt dat de Europese Unie zich baseert op respect voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat en, bovenal, op respect voor de mensenrechten.

Onmiddellijk daarna benadrukt het grondwettelijk verdrag dat de Unie, in haar betrekkingen met de rest van de wereld, „haar waarden zal bevorderen” en dat daarom bijgedragen zal worden aan vrede en veiligheid, aan duurzame ontwikkeling van de planeet, aan solidariteit en aan wederzijds respect tussen volkeren, aan vrije en eerlijke handel, aan het uitroeien van armoede en aan de bescherming van de mensenrechten, alsmede aan een strikte handhaving en ontwikkeling van het internationale recht.

Al deze normen zouden echter niet meer zijn dan een lijst van goede bedoelingen, indien de Europese Unie zich niet zou voorzien van de benodigde middelen om op efficiënte wijze te kunnen handelen. Vandaar dat het grondwettelijk verdrag bijvoorbeeld bepaalt dat het mandaat van de voorzitter van de Europese Raad wordt verlengd, of de instelling van een minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, die bovendien zal kunnen rekenen op de steun van een Europese Dienst voor Buitenlandse Politiek.

Daarom wordt ook bijzondere nadruk gelegd op het garanderen van samenhang tussen de verschillende instrumenten van de buitenlandse politiek, op het verbeteren en versnellen van de besluitnemings- en financieringsprocessen en op de creatie van mechanismen op basis van vrijwillige deelneming, teneinde onze veiligheids- en defensiepolitiek te versterken.

Al deze innovaties zullen mogelijk maken dat de Europese Unie in de toekomst in betere omstandigheden het hoofd zal kunnen bieden aan humanitaire crises zoals de tsunami die in december 2004 het zuidwesten van Azië geselde, of de oorlogshandelingen in Libanon tijdens het afgelopen voorjaar. Genoemde bepalingen zullen ons voorzien van betere middelen om deel te nemen aan missies als de steun aan de recente verkiezingen in de Democratische Republiek Congo of de handhaving van vrede en stabiliteit in Kosovo, of een nog doeltreffender en vastbeslotener Europese handelwijze met betrekking tot het conflict in het Midden-Oosten.

Wij hebben een EU nodig die haar stem met kracht, maar zonder arrogantie, kan laten horen in internationale debatten die van doorslaggevend belang zijn, zoals met betrekking tot de klimaatverandering, de non-proliferatie van massavernietigingswapens of de vestiging van een internationaal handelssysteem dat economische vooruitgang combineert met sociale gerechtigheid. Europa kan zich niet de luxe permitteren afwezig te zijn. En ‘wij’ burgers moeten dat niet toestaan.

In dit opzicht zal het grondwettelijk verdrag mogelijk maken dat het buitenlands beleid van de Europese Unie het niveau kan bereiken van de vurige wens van de burgers. Het lijdt geen twijfel dat de inwerkingtreding op zich niet voldoende zal zijn om op radicale wijze de nu nog bescheiden balans van het gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid te verbeteren, dat de lidstaten gezamenlijk ontwikkelen binnen het kader van de Unie, omdat daarvoor bovendien de duidelijke politieke wil van de betrokken regeringen nodig is, maar het grondwettelijk verdrag is wel een noodzakelijke voorwaarde om dit doel te bereiken.

Dit alles heeft de regeringen van Spanje en Luxemburg er toe gebracht op 26 januari in Madrid een informele bijeenkomst te beleggen van de lidstaten die het grondwettelijke verdrag reeds geratificeerd hebben – op dit moment achttien – teneinde te debatteren over wat wij kunnen doen opdat de onmiskenbare vorderingen die deze tekst betekent kunnen worden behouden.

Het versterken van het Europese integratieproject in een wereld die in toenemende mate wisselend en complex is, is de uitdaging voor ons continent in deze eerste jaren van de eenentwintigste eeuw. Komende generaties zullen ons beoordelen op de inspanningen die wij aan deze taak besteden.

Om deze moeilijke taak in gang te zetten zal het enerzijds nodig zijn om de geest van de grondleggers zoals Schuman en Monnet te hervinden en, anderzijds, te kunnen rekenen op de benodigde middelen. Het grondwettelijk verdrag is ongetwijfeld het beste instrument waarover wij beschikken: als het niet bestond zouden wij opnieuw een soortgelijk verdrag moeten uitvinden.

Miguel Ángel Moratinos is minister van Buitenlandse Zaken en Samenwerking van Spanje en Jean Asselborn is vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken en Immigratie van Luxemburg.

    • Jean Asselborn
    • Miguel Ángel Moratinos