Zonderlinge fotoschat in Albanië

In de Albanese stad Skhodra liggen in een fototheek een kwart miljoen glas-negatieven opgeslagen. Bijzonder materiaal dat meer aandacht verdient.

Enkele foto’s uit de Nationale Fototheek Marubi (Foto Janine Prins) Prins, Janine

„Marubi?”, vraagt de geldwisselaar in een modderige zijstraat van de Noord-Albanese stad Shkodra. Kennelijk zijn hier wel vaker buitenlanders op zoek naar een van de merkwaardigste fotocollecties van Europa, de Nationale Fototheek Marubi. Hij gaat ons voor naar een steeg tussen twee flatgebouwen die weer leidt naar een vervallen binnenplaats. Daar staat een hek half open naast een bord van het Ministerie van Toerisme, Media, Cultuur en Sport.

In het trapportaal hangen al de eerste afdrukken van de ongeveer vijftig tentoongestelde foto’s. De collectie zou bestaan uit zo’n 250.000 glasnegatieven, waarvan er inmiddels enkele tienduizenden zijn gedigitaliseerd. Maar die krijgen we niet te zien. We moeten het stellen met de op de gang opgehangen afdrukken. De toezichthoudende mevrouw, die drie woorden Italiaans spreekt, verbiedt ons ten strengste zelf foto’s te maken, zelfs niet van de trap. Wel mogen we een kalender en wat ansichtkaarten kopen.

De naamgever van de collectie heette Pietro Marubbi (1834-1905). Hij was een Italiaanse architect, schilder en beeldhouwer, die als aanhanger van Garibaldi zijn door de Oostenrijkers bestuurde geboortestad Piacenza verlaten moest. Als plaats van ballingschap koos hij Shkodra, een liberale stad in het Osmaanse rijk, waar rooms-katholieken, moslims en orthodoxe christenen vreedzaam naast elkaar leefden, en balkaniseerde zijn naam tot Pjeter Marubi.

In 1858 bracht Marubi de eerste camera naar dit deel van het continent en begon in zijn studio portretten te maken van vertegenwoordigers van alle bevolkingsgroepen uit de wijde omgeving. We treffen gesluierde vrouwen aan, die niet per se het islamitische geloof aanhangen, maar ook trots met hele gezicht recht in de camera kijkende moslimvrouwen.

Er zijn boeren bij, gewapende rebellen, edelen, kinderen in klederdracht, Turkse militairen, geestelijken van diverse geloofsrichtingen. Zoals gebruikelijk in de begintijd van de fotografie zijn het zorgvuldig uitgelichte, geconstrueerde portretten, bijna tableaux vivants. Later worden de studiofoto’s, ook bijvoorbeeld van een Italiaanse vrouw die rokend in moslimkleding poseert als een toeriste in Volendam, afgewisseld met meer documentaire beelden, van oorlogen, vorsten en straattaferelen in Shkodra, voor de komst van het communisme in 1946 zo te zien een schone, welvarende stad.

Pjeter Marubi had geen kinderen, maar wel een assistent, Mikel Kodheli, die hij later zou adopteren en als Kel Marubi (1870-1940) de traditie zou voortzetten, net als op zijn beurt diens zoon Gege Marubi (1907-1984), die uiteindelijk de hele collectie in 1974 aan de Albanese staat zou schenken.

Uiteraard valt de historische betekenis van deze beelden uit een in West-Europa grotendeels onbekend verleden moeilijk te overschatten. Wat vooral heel goed valt te zien is de voortdurende wisselwerking tussen mediterrane (Italiaanse, katholieke), slavische (orthodoxe) en oriëntaalse invloedssferen. Shkodra gaat er prat op een van de oudste steden van Europa te zijn, minstens zo oud als Rome. Nu is het een afgetrapt, verwaarloosd provincienest, smerig en zonder veel allure. Op de straatfoto's oogt het wel stoffig, maar geordend en parmantig, vooral in de tijd van de Italiaanse bezetting in de jaren dertig.

Er is nog een belang van de fototraditie van de Marubi-familie. Niet alleen documenteerden ze een voor ons voorbije tijd, zelf liepen ze voor de muziek uit en introduceerden een voor hun tijd nieuw medium en een nieuwe manier van kijken. De jonge filmschool van Tirana, waar ook het gebruik van nieuwe media wordt onderwezen, heet niet voor niets de Marubi Filmschool.

Albanië is een straatarm land, zo ongeveer het armst van heel Europa. De ontsluiting van de Marubi-collectie werd mede mogelijk gemaakt door UNESCO en door het Franse ministerie van cultuur. De kwaliteit van de presentatie van het materiaal laat nog veel te wensen over, wellicht mede doordat het ministerie zich nauwelijks realiseert hoe groot het belang is van de verzameling. Maar zelfs als ze dat wel doen, lijkt verdere ontsluiting en exploitatie mede een Europese verantwoordelijkheid.