‘Weg met het secularisme’

Vier schrijvers en een professor probeerden gisteren op het literaire festival Winternachten ‘Tien Geboden’ te formuleren voor een multicultureel Nederland.

Het secularisme moest het ontgelden, gistermiddag in het Theater aan het Spui in Den Haag. In opdracht van het festival Winternachten probeerden vier schrijvers en een professor ‘geboden’ te formuleren om multicultureel Nederland verder te helpen. In de afgelopen jaren heeft Winternachten drie geboden over onderwijs en drie over taal opgesteld, dit jaar was religie aan de beurt. Vier geboden moesten er bedacht worden, voor een totaal van tien. De in Parijs wonende Nederlander Adriaan van Dis, de Indiase essayist Pankaj Mishra, de Nederlandse Marokkaan Fouad Laroui en de Verre-Oostenkenner van Nederlandse afkomst Ian Buruma deden er hun best op, samen met de ‘professor in religie, mensenrechten en maatschappelijke verandering’ Gerrie ter Haar.

Stuk voor stuk noemden de deelnemers zich secularisten, maar op een enkele uitzondering in de zaal en op het podium na (Fouad Laroui) verklaarden ze om het hardst dat deze levenshouding de wijsheid niet in pacht heeft. „Weg met het secularisme”, luidde bijvoorbeeld het gebod van Pankaj Mishra. Seculiere ideologieën als het communisme en het fascisme hebben volgens de essayist tot hogere stapels lijken geleid dan welke religieuze twist ooit.

Volgens Buruma bezat het secularisme – „zoals mensenrechten en democratie” – goede eigenschappen, maar is het door het westen te vaak gebruikt als moreel excuus voor machtspolitiek. Vandaar dat het, precies zoals mensenrechten en democratie, elders op de wereld als verdacht wordt beschouwd. In zijn ‘gebod’ pleitte Buruma voor bescherming van godsdiensten, Ter Haar voor een actievere band tussen kerk en staat. „De laiceté (de scheiding tussen kerk en staat, MS) is de grootste leugen van Frankrijk”, riep Van Dis hierop. „Duizenden kerken en nergens een door de staat gebouwde moskee.”

Maar gaande de discussie bleken de deelnemers, Van Dis voorop, toch moeilijk afstand te kunnen nemen van het secularisme. „Ik geloof in de mens die er toevallig is en er het beste van wil maken”, zei Van Dis. En: „Godsdienst zou, net als seks, maar tien procent van je gedachten in beslag moeten nemen. Meer lijkt mij gevaarlijk.” Ter Heer vond dat Van Dis religie nog altijd niet serieus nam. „Wie in een multinational wil geloven die overal ter wereld gebouwen neerzet om kaarsjes in te branden, mag dat van mij”, repliceerde de schrijver onverstoorbaar. „Maar ik behoud me het recht voor grappen te maken over de uitwassen ervan.”

De discussie met de zaal maakte één en ander er zeker niet helderder op, omdat toeschouwers en forumleden zich verloren in semantische valkuilen en cul-de-sacs. Welke ‘ander’ bedoelde Van Dis eigenlijk, in zijn gebod ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet?’ En waren sommige ‘anderen’ niet anders anders dan andere ‘anderen’? Nu we het er toch over hadden: gaf de uitdrukking ‘scheiding tussen kerk en staat’ niet al aan dat het secularisme een soort christendom was in een jasje van neutraliteit? Het moest ‘scheiding tussen godsdienst en staat’ zijn! En trouwens, bevoordeelde het hele project, met het formuleren van Tien Geboden voor de Nederlandse staat, het Christendom niet onevenredig?

„Laat iedereen toch in vrijheid geloven!”, had Van Dis eerder baldadig uitgeroepen. Maar het tijdperk van vrijblijvendheid leek in Den Haag juist zo verschrikkelijk voorbij.

    • Maartje Somers