Traditionele conservatie van fossiele botten blijkt desastreus voor oud DNA

Heup van een 3200 jaar oud oerrund, deels opgegraven in 1947 en deels in 2004. Foto Pnas Heup van een 3200 jaar oud oerrund, deels opgegraven in 1947 en deels in 2004. Foto Pnas article zpq4799 Pnas

Gangbare conserveringsmethoden van paleontologen en musea vernietigen oud DNA in fossielen. Dat blijkt uit een studie van Franse paleontologen die 247 beenderen onderzochten van fossiele paard- en runderachtigen van maximaal 500.000 jaar oud. Ze ontdekten dat de kans op het terugwinnen van authentiek DNA uit verse fossielen bijna drie keer zo hoog is als de kans op het vinden van DNA in museumbotten (Proceedings of the National Academy of Siences, 8 januari).

DNA-onderzoek wordt steeds belangrijker, maar dat betekent niet dat alle paleontologen bij opgravingen zijn gefocust op het behoud ervan. Verse fossielen worden vaak in een waterbad gelegd waardoor authentiek DNA uit de poreuze botten lekt en vreemd DNA uit de omgeving naar binnenkomt. Water kan bovendien de zuurtegraad en het zoutgehalte in de botten verhogen wat ervoor zorgt dat DNA sneller uit elkaar valt.

Het team rond Mélanie Pruvost van het Institut Jacques Monod in Parijs baseert zijn conclusies grotendeels op een vergelijking van het DNA-gehalte in museumbotten en ‘verse’ botten van verschillende skeletten. In één geval vergeleken ze fossielen van hetzelfde skelet. Dat kon, omdat het een 3200 jaar oud oerrund (Bos primigenius) in het Franse Pontvallain in 1947 maar deels werd opgegraven. Uit deze botten konden de Fransen geen authentiek DNA meer destilleren. Andere botten van hetzelfde rund werden pas in 2004 opgraven en bewaard bij –20°C. Deze skeletresten bleken nog authentieke DNA-strengen te bevatten met een lengte van maximaal 200 basenparen. Pruvost concludeert dat het DNA in de runderbotten tijdens ‘conservering’ in het museum tenminste 70 keer zo snel verloren ging als in de bodem.

Michiel van Nieuwstadt