Stad onder het zand

Meer dan twee eeuwen geleden bestond er een bloeiende beschaving in de onherbergzame Taklamakanwoestijn. De Franse archeologe Corinne Debaine-Francfort ontdekte er Indiase en Europese invloeden. Theo Toebosch

Corinne Debaine-Francfort 'Opgraven doen we zonder graafmachine met de schop'

Taklamakan betekent in de lokale taal, het Oeigoers, ‘ga er in en je komt er niet meer uit’. De gelijknamige woestijn in de autonome regio Xinjiang in het noordwesten van China is drie keer zo groot als Frankrijk. ’s Zomers lopen de temperaturen overdag op tot boven de vijftig graden. Maar ’s nachts kan het vriezen. Nergens is een boom, laat staan een oase, te zien. De droogte maakt landbouw onmogelijk. De weinige mensen die aan de rand wonen halen al hun voedsel elders. Verderop in de woestijn zijn alleen maar enorme duinen van zand, die voortgedreven door de wind zich steeds weer verplaatsen en dus oriëntatie moeilijk maken. Terreinwagens lopen vast in het rulle zand. Reizen gaat daarom per kameel, beladen met water en eten.

In deze barre omgeving heeft de Franse archeologe en sinologe Corinne Debaine-Francfort van de Université Paris X Nanterre samen met Chinese collega’s de afgelopen vijftien jaar zeshonderd archeologische vindplaatsen ontdekt. Ze maken duidelijk dat de woestijn vroeger wel bewoond was, dat er meer dan tweeduizend jaar geleden aan landbouw en veeteelt werd gedaan en dat het gebied een kruispunt van handelsroutes was.

opgesloten

“Ik had zelfs nog nooit gekampeerd toen we met het project begonnen”, vertelt de Franse archeologe met een verontschuldigende glimlach in haar werkkamer, waar Chinese landkaarten en foto’s naar haar exotische werkterrein verwijzen. Het onderzoek is lichamelijk en geestelijk zwaar, vervolgt ze. “In het najaar, wanneer wij vier weken de woestijn intrekken, zijn de temperaturen overdag nog altijd dik boven de dertig graden. Opgraven doen we zonder graafmachine met de schop. En die enorme wijdte om je heen geeft je een vreemd gevoel van opgesloten te zijn, omdat je weet dat je niet even in je eentje kunt weggaan.”

De ontberingen en ongemakken zijn niet voor niets, want onder het woestijnzand blijken enkele onverwachte en zeer spectaculaire vondsten schuil te gaan, zoals de oudste boeddhistische muurschilderingen in China, een tiental door de natuur geconserveerde mummies en een onbekende stad uit de eerste eeuw vóór Christus met metershoge muren en irrigatiekanalen.

Toen Debaine-Francfort in de jaren tachtig archeologie en Chinees studeerde was er nog geen sprake van dat ze ooit zelf in China zou kunnen graven. “In 1986 was ik in het kader van een uitwisselingsproject verbonden aan een Chinees archeologisch instituut. In de kantine moest ik achter een kamerscherm zitten en verder was ik veroordeeld tot de bibliotheek. Opgravingen bezoeken was er niet bij.”

Vijf jaar later bleek meer mogelijk. China wilde eindelijk eens meer van het verleden in de Taklamakanwoestijn weten. Afgezien van de vermelding van een koninkrijk in een Chinese bron rond het begin van onze jaartelling bestond de geschreven geschiedenis van het gebied uit witte pagina’s. Over de tijd vóór de komst van de islamitische Oeigoeren, die vijftig procent van de huidige bevolking van Xinjiang vormen, en de kolonisatie door de Han-Chinezen was niets bekend. Bij het onderzoek, zo meenden de Chinezen, konden ze westerse kennis en deskundigheid goed gebruiken. Frankrijk op zijn beurt zag en ziet archeologie als een middel om buitenlandse politiek te bedrijven. Samenwerking met buitenlandse wetenschappers bij onderzoek, publicaties en behoud van erfgoed noemt het ministerie van Buitenlandse Zaken ‘vruchtbaar’. Daarom steunt het samen met het Centre National de Recherche Scientifique (CNRS) ruim 150 archeologische projecten over de hele wereld. Zo ook de Frans-Chinese expeditie in de Taklamakanwoestijn, waarvan Debaine-Francfort één van de leidsters werd. “Ik kreeg van Buitenlandse Zaken geen speciale opdracht mee. Ik kon gewoon mijn wetenschappelijke gang gaan.”

In eerste instantie betekende dat voor Debaine-Francfort proberen opnieuw Karadong te vinden. Eind negentiende, begin twintigste eeuw waren al westerse ontdekkingsreizigers door de woestijn getrokken. Zij hadden vanuit het zuiden de loop van de rivier de Keriya gevolgd in de hoop langs de oude zuidelijke Zijderoute archeologische vindplaatsen met kunstschatten te vinden. De Zweed Sven Anders Hedin was de eerste geweest. Hij had ten westen van de rivier een vroeger bewoonde plek ontdekt die de naam Karadong kreeg – “dat betekent Zwarte Heuvel, vanwege de donkere dode bomen op de top van de heuvel; een heleboel plekken in de woestijn heten zo” – maar hij was zonder er veel aandacht aan te besteden weer verder getrokken, om vervolgens bijna van de dorst om te komen. Kort na hem arriveerde de Brit Aurel Stein op dezelfde plaats. Hij onderzocht de plek wel een beetje, ontdekte en tekende de resten van een klein vierkant houten fort, maar vond de plek al met al van weinig archeologische waarde.

boeddha’s

“Wij wilden Karadong daarom alleen opnieuw vinden om een soort ijkpunt voor verder onderzoek te hebben”, vertelt Debaine-Francfort. De oude kaarten van haar voorgangers bleken niet te kloppen, maar met behulp van GPS wist ze de plek toch te bereiken. Daar had ze geluk. De wind had een duin verschoven en de resten blootgelegd van wat twee kleine houten heiligdommen bleken te zijn. De muren waren in tempera beschilderd met afbeeldingen van boeddha’s. “Uit de derde eeuw. We hebben ze in brokjes van de muur gehaald en nu zijn ze gerestaureerd. De stijl doet denken aan schilderingen uit India en Gandhara. Een aanwijzing dat langs deze weg het boeddhisme China is binnengekomen.”

Karadong had nog meer onverwachte vondsten in petto. Debaine-Francfort en haar Chinese collega’s legden tijdens twee latere opgravingscampagnes in 1993 en 1994 ook nog de resten van ruim zestig huizen bloot. “Het gaat om vakwerkhuizen. In Daheyan, de stad die we als uitvalbasis gebruiken, bouwen ze nog steeds hetzelfde type, met een open deel voor de zomer en een gesloten deel voor de winter.” Vlakbij de huizen in Karadong ontdekten ze akkers en irrigatiekanalen met een lengte van drie kilometer. De plek bleek onderdeel geweest te zijn van een oase die zich zeker tien kilometer had uitgestrekt en vrij dicht bevolkt was geweest. Vondsten als met indigo geverfd katoen, kleine stukjes zijde, Chinese munten, aardewerk uit het noordwesten van India maken met de boeddhistische schilderingen duidelijk dat er invloeden uit verschillende windstreken waren.

Tijdens de opgravingen trok geregeld een groepje verder de woestijn in om de omgeving te verkennen. “Vroege ontdekkingsreizigers als Stein hebben de moderne loop van de Keriya, die naar het oosten afbuigt, gevolgd en verder niet veel ontdekt. Maar wij hadden de beschikking over satellietfoto’s, waarop duidelijk te zien was dat de oude loop van de rivier naar het noordwesten gaat. Daar zagen we ook een oude delta liggen.”

Een van de verkenningstochten leverde veertig kilometer verder de ontdekking op van de onbekende stad die Debaine-Francfort de afgelopen tien jaar met onderbrekingen heeft opgegraven. Over een afstand van 15 kilometer vond ze in de voormalige delta sporen van menselijke bewoning, waarvan de oudste 2500 jaar oud waren. Midden in het gebied staken de resten van een versterkte stad boven het zand uit.

Djoumboulak Koum (Ronde Zandvlakte) heet nu de stad die in geen enkele historische bron voorkomt. De oppervlakte was bijna tien hectare. Rondom liep een twee tot vier meter hoge en bijna vijf meter dikke muur, gemaakt van steen en gewapende klei, met bovenop houten spitsen en rijswerk van tamarisk, een houtige woestijnstruik. “Dat wijkt af van de Chinese bouwtechniek van aangestampte grond.” In de muur zaten verder minstens drie poorten. “Bij de zuidelijke poort hebben we de complete houten deur opgegraven. Hij was nog helemaal gaaf en stond op een kier.” Binnen de muren waren grote, rijke woningen en opslagplaatsen. Buiten lagen akkers en irrigatiekanalen. Onderzoek van pollen en botten heeft aangetoond dat de bewoners aan landbouw en veeteelt deden. Ze verbouwden gerst, gierst en tarwe en hielden geiten, schapen, kamelen, kleine paarden, kippen en honden. “Zelfs runderen, die nu niet in oases voorkomen, waren in Djoumboulak Koum aanwezig.” In het zand en door de droogte zijn ook kleding (gemaakt van vilt, leer en bont) en allerhande textiel goed bewaard gebleven. Jade uit Khotan in het zuiden van de woestijn was hier een alledaags verschijnsel. Bronzen en ijzeren voorwerpen werden – getuige opgegraven metaalslakken – ter plekke gemaakt, maar ook van heinde en verre aangevoerd. Net als edelstenen kwamen ze uit het oosten, uit China, maar ook van noordelijke en westelijke nomadenvolkeren. “De regionale en langeafstandscontacten waren niet altijd even vreedzaam gezien de versterkte stadsmuur en de vondst van enkele met pijlen doorboorde schedels.”

zandduin

Die schedels vond Debaine-Francfort in een grafveld buiten de stad. Ook nu had ze weer geluk. Toen ze begonnen met opgraven, had ook hier de wind net een zandduin verplaatst en enkele graven blootgelegd. De lijken bleken door de natuurlijke omstandigheden uitstekend geconserveerd te zijn. Huid, haren en kleding waren nog intact. Het eerste dat opviel was de blanke huid van de doden.

Het gezicht van Debaine-Francfort betrekt als de naam van Victor Mair valt. “Hij is goed op het gebied van Chinese literatuur”, is het eerste dat ze zegt over de Amerikaanse hoogleraar aan de Universiteit van Pennsylvanië, die in 2000 een boek publiceerde over alle mummies die ooit in de Taklamakanwoestijn zijn gevonden (zie NRC Handelsblad, 31 maart 2001). “Hij denkt dat ze allemaal van hetzelfde volk zijn. Dat klopt niet, want de mummies stammen uit verschillende tijden, de een is van 1200 vóór Christus, andere uit de derde eeuw en 500 vóór Christus en die van ons zijn uit de eerste eeuw vóór Christus. Verder gaat hij ervan uit dat er in de Bronstijd en IJzertijd mensen van de Hallstattcultuur vanuit het westen naar het oosten zijn getrokken en zich met de lokale bewoning hebben vermengd.” Ook daar klopt niets van, weet ze nu zeker. “In oktober was ik in China en ik heb toen de uitslag gehoord van het DNA-onderzoek dat de Chinezen op de mummies uit Djoumboulak Koum hebben uitgevoerd. De bijmenging uit het westen moet al voor het neolithicum zijn gebeurd.”

Details volgen later, zegt ze. “Ik ben druk bezig met de wetenschappelijke publicatie, een monografie in twee delen die dit jaar uitkomt.” Een alomvattend historisch kader voor de vindplaatsen uit de woestijn kan ze nog niet geven. “Voor een algemene geschiedenis is nog te veel onbekend.” Daarvoor is meer internationale samenwerking nodig, bijvoorbeeld met Russische en Kazachse wetenschappers die zich bezig houden met Centraal-Aziatische steppevolkeren als de Skythen. Ze heeft wel contact met een Duitse wetenschapster van het Deutsches Archäologisches Institut in Berlijn, die een proto-Skytisch grafveld onderzoekt in het Kunlungebergte ten zuiden van de Taklamakanwoestijn. “Maar ze graaft niet zelf in China, omdat ze geen vergunning heeft; een Chinese archeologe doet het veldwerk voor haar.”

japanner

Afgezien van een rijke Japanner, die voor veel geld een boeddhistische vindplaats mag opgraven, is Debaine-Francfort nog steeds de enige buitenlandse die in het gebied mag opgraven. Maar in de loop der jaren zijn de Chinezen wel veranderd, zegt ze. “Ik hoor nu niet meer ‘gesloten’, ‘mag niet’, ‘kan niet’ of ‘is er niet’ als ik iets wil bezoeken. Er zijn veel archeologische instituten bijgekomen en ze hebben zich snel de westerse methodologie en theorie eigen gemaakt. Door een gebrekkige kennis van bijvoorbeeld de Griekse cultuur hebben ze nog wel moeite om verschillende beschavingen met elkaar te vergelijken. Maar aan de hokjesgeest van de verschillende wetenschappen is een einde gekomen. Het gaat niet meer alleen om het verzamelen en op een rijtje zetten van feiten, maar ook om interpretatie en interdisciplinair onderzoek.”

Ze geeft toe, dat de toezichthouders in Peking bang waren voor deze ontwikkeling die zelfstandig nadenken stimuleerde. “Maar ze zien dat het resultaat oplevert.” Van censuur heeft ze niets gemerkt. “Ik ga gewoon één keer per jaar naar Peking voor een evaluatie.”

Op de achtergrond, zegt ze, blijven toch (politieke) gevoeligheden een rol spelen. Haar medeleider van de expeditie, Abduressul Idriss, is een Oeigoer en moslim. Ook het feit dat de mummies, die in speciale kisten op kamelen naar de bewoonde wereld zijn vervoerd en nu keurig zijn geconserveerd, blank zijn, blijft een gevoelig punt. “De idee van China als bakermat en centrum van de wereld blijft in hun hoofd zitten.” Maar zolang zij daarop niet te veel nadruk legt en benadrukt dat het om een gezamenlijk project gaat, blijft het goed gaan. In 2008 trekt ze waarschijnlijk weer de woestijn in. “We hebben een nog oudere vindplaats ontdekt. Uit 1500 vóór Christus.”