Smokkel ontzien graag ‘Amerika pas op: smokkelaars zijn geen terroristen’

Ook vanuit hun militaire basis bij de legendarische karavaanstad Timboektoe bestrijden de Amerikanen het moslimterrorisme. Aan Al-Qaeda verwante groepen verdienen in Mali veel geld met smokkel.

Amerikaanse soldaten geven instructies aan Malinese soldaten Foto Reuters Malian soldiers receive instruction from a U.S. soldier in Gao, eastern Mali November 13, 2006. Mali is one of nine West and North African countries which have signed up to the U.S. military's Trans-Sahara Counter-Terrorism Partnership, part of a strategy to prevent al Qaeda from establishing bases in the region in the same way it operated in the 1990s from Sudan and Afghanistan. To match feature Mali Usa REUTERS/Luc Gnago (MALI) Reuters

De Sahara is een uitstekende schuilplaats voor bandieten. Struikrovers, smokkelaars en slavendrijvers hebben er al eeuwenlang vrij spel. Recent hebben ook aan Al-Qaeda gelieerde moslimstrijders, met name uit Algerije, de grootste woestijn ter wereld ontdekt. Afrikaanse regeringen oefenen nauwelijks gezag uit in het gebied, waardoor ze er vrijwel ongestoord hun gang kunnen gaan. „De Sahara is voor ons te groot om te controleren”, zegt Sounkalo Togola, een hoge functionaris op het Malinese ministerie van Binnenlandse Veiligheid. „Daarom hebben we hulp gekregen van de Amerikanen. Met hun steun gaan we daar verandering in brengen.”

De Sahara is een van de nieuwste aandachtspunten in de Amerikaanse strijd tegen het terrorisme. In 2003 openden de Amerikanen een militaire basis in Timboektoe, de oude karavaanstad in het noorden van Mali van waaruit talloze zandsporen de Sahara inlopen. „Direct buiten Timboektoe begint een gebied waar smokkelaars en andere bandieten de dienst uitmaken”, zegt Togola. „Sommige groepen zijn zwaar bewapend. Omdat effectieve grensbewaking ontbreekt, kunnen ze probleemloos op en neer reizen tussen de verschillende landen in de regio.”

Op straat in Timboektoe, een grotendeels uit leem opgetrokken stad met smalle steegjes en veel zand, is duidelijk te zien hoe belangrijk smokkel is. De markt ligt vol met illegale handelswaar uit Mauretanië en Algerije: melkpoeder, pasta, maïsolie en koelkasten.

Sommige smokkelnetwerken staan volgens de Amerikaanse regering in nauw contact met Al-Qaeda. „Ik heb daarvoor geen bewijs”, zegt Togola, die zich net als andere Malinese gezagdragers op de vlakte houdt als het om gevoelige materie gaat. „Maar de Amerikanen hebben vast goede bronnen. En het is duidelijk dat extremistische groepen uit Algerije eenvoudig ongezien naar Timboektoe kunnen reizen.”

De Amerikaanse militaire aanwezigheid in Timboektoe is onderdeel van het Trans Sahara Counter Terrorism Initiative (TSCTI), een militair samenwerkingsprogramma met tien Afrikaanse landen dat de opvolger is van het Pan Sahel Initiative (PSI). Naast het verzamelen van inlichtingen behelst de samenwerking, waarvoor de Amerikanen 100 miljoen dollar per jaar hebben vrijgemaakt, de training van Afrikaanse soldaten en de levering van materieel. Behalve Mali behoren Algerije, Marokko, Tunesië, Nigeria, Mauretanië, Niger, Tsjaad, Ghana en Senegal tot de deelnemende landen.

Een van de aanleidingen voor de Amerikaanse militaire samenwerking was de ontvoering in 2003 van 32 Europese toeristen door fundamentalisten van de Algerijnse GSPC (Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat). De toeristen, onder wie een Nederlander, zaten maandenlang vast in de woestijn van Algerije. Na ingrijpen van het Algerijnse leger, dat de helft van de toeristen bevrijdde, bracht de aan Al-Qaeda gelieerde GSPC de overige gijzelaars over naar het noorden van Mali. Daar kwamen ze, met uitzondering van een Duitse vrouw die overleed aan een zonnesteek, na betaling van ruim vijf miljoen euro losgeld vrij.

Uit verhalen van de vrijgelaten gijzelaars bleek dat de GSPC-strijders goede contacten onderhielden met smokkelaars en nomaden die ze in de woestijn tegenkwamen. Arjen Hilbers, de ontvoerde Nederlander, vertelde na zijn vrijlating dat zijn ontvoerders in de woestijn advies kregen van smokkelaars die hun leerden hoe ze met hun auto’s het beste over zandduinen konden rijden. Bij nomaden haalden de GSPC-strijders regelmatig verse kamelenmelk. Diverse Malinezen sloten zich sindsdien bij de GSPC aan, zoals onder meer bleek uit een televisiedocumentaire uit 2004. Drie Franse journalisten bezochten toen in de woestijn van Tsjaad een twintigtal GSPC-leden, onder wie Malinezen, die gevangen waren genomen door een lokale rebellenbeweging.

„Het zwaartepunt van TSCTI ligt in Mali”, zegt Bill Torrey, de militair die de leiding heeft op de Amerikaanse basis in Timboektoe. „In dit deel van de Sahara lijken terroristische moslimorganisaties het meeste misbruik te maken van gebrekkig gezag.” Na de ontvoering van de 32 Europese toeristen volgde in Mali nog een aantal andere ontvoeringen. Vlak over de grens in Mauretanië voerde Mokhtar Ben Mokhtar, de leider van de GSPC in de Sahara, in de zomer van 2005 een spectaculaire aanval uit op een kazerne in de oase Lemreïti, waarbij grote hoeveelheden wapens en munitie werden buitgemaakt. Afgelopen oktober nog was er een GSPC-aanval op een konvooi auto’s ten noorden van Timboektoe, waarbij volgens Malinese kranten tenminste negen doden vielen.

De militaire basis van de Amerikanen is gevestigd in een gehuurde villa aan de rand van Timboektoe. Het geel geschilderde gebouw is omgeven door een twee meter hoge muur, naast de ingang is een elektrische bel met een lantaarn erboven. Aan de overkant van de straat houdt een tiental Malinese militairen de wacht, een rieten afdak dat rust op wat boomstammetjes zorgt voor schaduw. Binnen, in een ruime zaal waar een schoolbord en een zwart kunstlederen bankstel staan, vertelt Torrey dat de Amerikaanse soldaten in Timboektoe vooral bezig zijn met het ondersteunen en trainen van Malinese collega’s. „We geven onder meer schietcursussen en leveren materieel”, zegt Torrey. „De Malinese overheid kan daardoor effectiever optreden tegen criminele elementen.” Op de vraag of de Amerikanen ook wapens leveren, antwoordt hij ontkennend. „Dat behoort niet tot onze taken.”

Op de binnenplaats start een van de Amerikanen zijn quad, een vierwielige motor waarmee de soldaten soms door de straten van Timboektoe rijden. Een andere soldaat brengt een kopje koffie. Torrey, met kortgeschoren haar en gekleed in een beigebruin camouflagepak, wil weinig zeggen over actuele Amerikaanse operaties in andere landen in de regio. „Wel kan ik vertellen dat we in Mali behalve in Timboektoe ook gelegerd zijn in de steden Gao en Kati.” Hoeveel Amerikaanse soldaten precies in Mali gestationeerd zijn, wil Torrey niet vertellen. „Minder dan honderd.” Meer wil hij er niet over kwijt.

Niet ver van de Amerikaanse basis in Timboektoe staat hotel Hendrina Khan. Vijf jaar geleden werd dit moderne stenen complex gebouwd met financiële steun van de Pakistaanse atoomspion Abdul Qadeer Khan. Khan was tijdens een bezoek aan Timboektoe bevriend geraakt met de huidige directeur van het hotel, die in die tijd zijn geld verdiende met het rondleiden van toeristen. Volgens de Malinese directeur besloot Khan als een vorm van ontwikkelingshulp, net zoals veel andere toeristen tegenwoordig doen, een arme Afrikaan te helpen bij het opzetten van een eigen zaak.

Het door Khan gefinancierde hotel was voor de Amerikanen een extra reden om in Timboektoe neer te strijken. Van Khan, die in die tijd de stad regelmatig bezocht, was bekend dat hij in het verleden geheime nucleaire informatie had verkocht aan diverse boevenstaten. Dat naast fundamentalisten en smokkelaars nu ook een handelaar in nucleaire technologie in Timboektoe was gesignaleerd, voedde de Amerikaanse angst dat de Pakistaan via de GSPC wellicht banden met Al-Qaeda zou aanknopen.

Inmiddels staat Khan wegens zijn nucleaire handel onder huisarrest in Pakistan. Maar het naar zijn Nederlandse echtgenote vernoemde hotel bestaat nog steeds. Volgens reisgidsen is het veruit het beste hotel van Timboektoe. Behalve door toeristen wordt het ook geregeld bezocht door familie en vrienden van de Pakistaanse atoomspion. Reden temeer voor de Amerikanen om het hotel nog steeds nauwlettend in de gaten te houden.

‘Wij zijn blij met de Amerikaanse steun”, zegt Abdoulaye Coulibaly, kolonel in het Malinese leger. „Gebrekkig materieel is al jaren een van onze grootste problemen.” Met name de tientallen gedoneerde four wheel drives zijn enthousiast ontvangen. De Amerikanen luisterden zelfs naar de Malinese wens om geen Hummers, maar Toyota’s te leveren, want Toyota is veruit het populairste automerk in de Sahara, waardoor reserveonderdelen ruim voorradig zijn. Ook is veel Amerikaans geld uitgegeven aan communicatie- en radarapparatuur, en aan de verbetering van de leefomstandigheden van de soldaten. Kazernes zijn opgeknapt en er kwamen nieuwe uniformen.

Coulibaly, een slanke man in een blauw uniform, benadrukt dat smokkelaars en GSPC-strijders tot voor kort veel betere spullen hadden dan het Malinese leger. Terwijl regeringssoldaten rondreden in oude auto’s die voortdurend met pech stil stonden, hadden hun tegenstanders de beschikking over supersnelle gloednieuwe modellen. „Ook aan goede communicatieapparatuur was gebrek”, zegt Coulibaly. Satelliettelefoons, die je tegenwoordig voor een paar honderd euro kunt kopen, zijn al jarenlang wijdverbreid in de Sahara. Maar het Malinese leger heeft dat soort apparatuur pas sinds kort.

„Het nieuwe materieel is goed voor het moreel van de strijdkrachten”, benadrukt Coulibaly. Malinese soldaten rijden in hun nieuwe auto’s trots door de straten van Timboektoe.

Door slechte arbeidsomstandigheden en lage salarissen waren ze voorheen vaak niet erg gemotiveerd om daadkrachtig op te treden tegen criminelen die de Sahara onveilig maken.

Op veel plaatsen hadden ze niet eens een bed om in te slapen, het voedsel dat ze aten was elke dag hetzelfde. In ruil voor smeergeld lieten ze criminelen vaak ongestoord hun gang gaan. „Met Amerikaanse steun is dat aan het veranderen”, zegt Coulibaly. „Er is nog veel te doen, maar we zijn op de goede weg.”

Net als in andere islamitische landen bestaat in Mali bij veel mensen stilzwijgende sympathie voor Al-Qaeda. Uit gesprekken op straat blijkt dat de meeste Malinezen terreur afkeuren, maar het anti-Amerikaanse gedachtegoed van Osama bin Laden heeft brede instemming. De onvoorwaardelijke Amerikaanse steun aan Israël oogst onbegrip. Diverse Malinezen zeggen te vrezen dat de Amerikanen na Afghanistan en Irak ook andere islamitische landen willen bezetten. De militaire bases van de Amerikanen in Mali zijn in hun ogen slechts een eerste stap op weg naar verdere bemoeienis.

Ook de streng islamitische ideeën van Bin Laden kunnen bij bepaalde groepen in Timboektoe op steun rekenen. Wahabieten uit Saoedi-Arabië hebben al bijna honderd jaar lang een aanzienlijke vertegenwoordiging in Mali. De afgelopen paar jaar zijn daar allerlei nieuwe groeperingen bij gekomen. Ongeveer tien jaar geleden arriveerden predikers van de fundamentalistische Pakistaanse zendingsorganisatie Jama’at al-Tabligh. Vooral onder de Toearegs, het nomadenvolk waarbij niet de vrouwen maar de mannen het hoofd met doeken bedekken, geniet deze beweging veel aanhang. Met name in het stadje Kidal, ten noordoosten van Timboektoe, hebben diverse lokale notabelen zich bij deze organisatie aangesloten. Als Toearegs hun hoofdtooi afdoen, komt steeds vaker een lange baard te voorschijn, die hun vroomheid symboliseert.

De ideologische raakvlakken met Al-Qaeda impliceren niet dat Malinezen zich massaal bij de terreurorganisatie zullen aansluiten. Wel maken de overeenkomsten duidelijk dat er niet zo heel veel hoeft te gebeuren om een aanzienlijk aantal Malinezen die stap te laten zetten, zoals ook de gezaghebbende International Crisis Group (ICG) vorig jaar schreef in het rapport ‘Íslamist terrorism in the Sahel: fact or fiction?’ Radicalisering is bijna altijd een optelsom van verschillende factoren. Van alle Sahellanden bestaat in Mali volgens de ICG de grootste voedingsbodem voor islamitisch terrorisme.

„De Amerikanen denken slecht na over hun buitenlandse politiek”, beweert Fatoumata Touré, bestuurslid van een Malinese organisatie voor islamitische vrouwen. Inafem heet de club. In haar woning in Timboektoe betoogt Touré, gezeten op een kussen op de grond, dat de Amerikanen telkens opnieuw de gevolgen van hun buitenlandse beleid verkeerd inschatten. „Hoe haal je het in je hoofd om te denken dat je in een paar jaar democratie kunt installeren in Irak? Echt heel naïef. Dan begrijp je er echt helemaal niets van. De gevolgen zijn vreselijk: nog meer oorlog en geweld. De Amerikanen creëren meer problemen dan ze oplossen.”

Touré, die een rinkelende collectie gouden armbanden aan beide polsen draagt, is de dochter van een bekende Wahabitische imam in Timboektoe. In haar jeugd woonde ze in Saoedi-Arabië, waar haar vader een religieuze opleiding volgde. Haar afkeer van de Amerikanen is sindsdien gegroeid, vertelt ze. „Ik vertrouw de Amerikanen niet. De regering-Bush roept het een, maar doet het ander.” Dat het Australische bedrijf Baraka Petroleum sterke aanwijzingen heeft dat ten noorden van Timboektoe grote winbare olievoorraden zijn, is volgens Touré een teken aan de wand. „Uiteindelijk gaat het de Amerikanen alleen om olie.” Overal in de Sahara zijn de afgelopen jaren aanzienlijk nieuwe olievelden ontdekt, waardoor het economisch belang van de regio is toegenomen.

De christelijke evangelisten die de afgelopen jaren zijn neergestreken in Mali hebben het wantrouwen tegenover de Amerikanen verder doen toenemen. Met name de Amerikaanse organisatie SIL (Summer Institue of Linguistics) is erg actief. Medewerkers van SIL vertalen bijbels in allerlei lokale talen en verspreiden die gratis onder de bevolking. „Op tamelijk agressieve wijze proberen deze evangelisten moslims te bekeren”, zegt Touré. „Door gratis voedsel en geld uit te delen, trekken ze sommige Malinezen over de streep.” Regelmatig leiden de Amerikaanse bekeringspogingen tot rellen. Op diverse plaatsen in het noorden van Mali, zoals in Gao en Menaka, zijn de afgelopen jaren huizen van evangelisten in brand gestoken.

Dat in de Sahara met smokkel veel geld is te verdienen, zoals de Amerikanen benadrukken, staat buiten kijf. Benzine, die in Algerije ruim drie keer zo goedkoop is als in Mali, gaat massaal illegaal de grens over. Ook in levensmiddelen is een levendige illegale handel. Sigaretten uit Mauretanië, waar een pakje Marlboro minder dan een euro kost, worden naar Mali en Algerije gebracht. Ook mensensmokkelaars, die illegale Afrikanen naar de Middellandse Zeekust brengen, verdienen veel geld in de Sahara.

De Amerikanen beweren dat de opbrengsten uit smokkel gebruikt worden om Al-Qaeda te financieren. Daarom heeft Mali met Amerikaanse steun een voorzichtig begin gemaakt met intensievere grenspatrouilles. Maar tot nu toe zijn er weinig successen. Wie vanuit Algerije of Mauretanië naar Timboektoe reist, kan zonder veel moeite officiële grensposten omzeilen. Zelfs aan de rand van de stad zijn geen functionarissen die papieren controleren. Pas als reizigers Timboektoe in zuidelijke richting verlaten, stuiten ze op een controlepost.

In de praktijk is Timboektoe daardoor nog steeds een vrijstaat. Winkels liggen vol met smokkelwaar zonder dat de lokale autoriteiten er tegen optreden. De identiteit van de vele Arabieren in de stad is onduidelijk. Vaak kunnen ze een Malinees paspoort overleggen, maar tegelijkertijd weet iedereen dat het betrekkelijk eenvoudig is om als buitenlander een Malinees paspoort aan te schaffen. Wie genoeg betaalt, heeft binnen een paar dagen een nieuwe identiteit. Diverse moslims uit het Midden-Oosten zijn de afgelopen jaren met valse papieren betrapt.

„Smokkel is voor Timboektoe van levensbelang”, zegt winkeleigenaar Bramane Bakary. „Het is de belangrijkste inkomstenbron voor een groot deel van de bevolking. Als je aan de smokkel een einde wilt maken, ontstaan er grote problemen.” Volgens Bakary, een slanke twintiger, is er geen alternatief voor smokkel. „Als je je spullen via een officiële grenspost het land binnen wilt brengen, ben je overgeleverd aan de willekeur van de douane. Douaniers eisen vaak zo veel smeergeld dat er van de winst niets overblijft.”

In het centrum van Timboektoe verkoopt Bakary levensmiddelen. De voorgevel van zijn winkel, die uit niet veel meer bestaat dan een toonbank met wat planken erachter, heeft hij in vrolijke kleuren beschilderd. Bijna alles wat Bakary verkoopt komt illegaal uit Algerije: pasta, melkpoeder, zonnebloemolie. „De Amerikanen moeten ervoor oppassen dat ze smokkelaars en fundamentalisten niet op één hoop gooien”, zegt Bakary. „Dat de Amerikanen terroristen oppakken vind ik prima, maar smokkel is geen terrorisme.”

Twee schoolmeisjes komen de winkel binnen om yoghurt te kopen. Uit de koelkast haalt Bakary twee plastic zakjes, waarin zijn vrouw elke ochtend de yoghurt verpakt die ze maakt van gesmokkeld melkpoeder uit Algerije. Die is goedkoper dan legaal geïmporteerde melk uit Nederland, die elders in Mali te koop is. Nadat de meisjes betaald hebben, bijten ze een gaatje in de punt van het zakje en zuigen het leeg. „De trans-Saharahandel hoort bij Timboektoe”, zegt Bakary. „Die laten we ons door niemand afpakken, en al helemaal niet door de Amerikanen.” Juist doordat Amerikanen smokkel bestrijden bestaat het gevaar dat ze gematigde Malinezen in het kamp van de terroristen drijven. Een gemeenschappelijke vijand creëert nieuwe banden.

    • Gerbert van der Aa