Schoolsucces en sekse

Ruim tien jaar geleden, tijdens een vergadering van de Vaste Kamercommissie voor Onderwijs, verkondigde het Tweede-Kamerlid Sharon Dijksma (PvdA): “Sommige leerlingen zitten op een schooltype dat na verloop van tijd duidelijk beneden hun niveau blijkt te zijn; zij kunnen meer aan. Dat zij aanvankelijk zijn onderschat, heeft er ten dele mee te maken dat zij thuis minder dan anderen opgejut worden. Dat doet zich in het bijzonder voor bij meisjes en leerlingen uit sociaal zwakkere milieus.”

Dijksma voer hier blijkbaar op de automatische piloot van een achterhaald maatschappijbeeld, want toen al was van een achterstand van meisjes in het voortgezet onderwijs geen sprake en deden zij het juist beter dan de jongens. Dat verschil is sedertdien alleen maar groter geworden. Zowel bij de havo- als bij de vwo-gediplomeerden ‘versloegen’ de meisjes de jongens in 2001 met 55 tegen 45 procent. Vervolgens, op hogeschool of universiteit, bouwen de dames hun voorsprong verder uit dankzij hun veel betere studieresultaten.

In een ingezonden brief in deze krant verklaarde docente Nederlands José Groen deze ontwikkeling uit de eisen die worden gesteld aan leerlingen in de onderbouw. Die werken, zo was haar ervaring, als een zeef voor jongens, waardoor die terechtkomen op de havo. Maar dat verklaart niet bovenstaande cijfers: ook op de havo zien we immers meer meisjes dan jongens en hetzelfde geldt, zij het in mindere mate, voor de mavo. En als ze naar het vmbo gaan verlaten de jongens de school veel vaker zonder diploma dan de meisjes. Kortom: meisjes stromen vanuit de basisschool vaker door naar hogere schooltypen en presteren op alle niveaus van onderwijs beter dan de jongens.

Dat meisjes het beter doen op school dan jongens is eigenlijk vanzelfsprekend. Voor succes op school zijn namelijk allerlei kwaliteiten van belang die we bij meisjes veel meer aantreffen dan bij jongens. Jongens zijn in vergelijking met meisjes in het algemeen slordiger, sneller afgeleid, rumoeriger, speelser, minder gezeglijk, brutaler, minder gedisciplineerd. Jongens zijn dus ernstig gehandicapt waar het succes op school betreft. Nu werd in het verleden de natuurlijke voorsprong die meisjes nu eenmaal hebben, veelal teniet gedaan doordat ouders voor hen een bescheiden opleiding goed genoeg vonden. Voor jongens, die later een gezin moesten onderhouden, gold het tegendeel. De breuk met deze traditionele rolpatronen heeft ervoor gezorgd dat meisjes hun handicap zijn kwijt geraakt. Voor de jongens daarentegen geldt dat zij er twee nieuwe hebben bij gekregen.

Jongeren werden in het verleden gedwongen tot een zekere mate van zelfdiscipline: thuis, op straat, op school, overal hadden ze te maken met regels waaraan ze zich min of meer hadden te houden. Het NOS-journaal illustreerde hoe zeer die regels voor velen zijn weggevallen met een item over Friese plattelandsjongeren in de leeftijd van een jaar of zestien, zeventien die zich tijdens de kerstvakantie twee weken lang elke dag lam zopen.

Minder gedisciplineerd dus. Zeker, zoals José Groen terecht opmerkt, in de onderbouw. Later krijgen jongens vaak alsnog de geest. Zo waren indertijd, toen de doorstroming van mavo naar havo nog frequent voorkwam, de jongens daarbij ver in de meerderheid. Laatbloeien is weliswaar geen exclusieve masculiene eigenschap, duidelijk is wel dat het gaat om een verschijnsel dat we vaker zien bij jongens. Die zijn dan ook nog eens extra gehandicapt door de recente tweedeling van het voortgezet onderwijs met vmbo aan de ene en havo/vwo aan de andere kant.

lgm.prick@worldonline.nl

    • Leo Prick