Rotsen op eigen risico

Lang dacht men dat de Skellig Rocks in Ierland het einde van de wereld waren. Inmiddels weet men wel beter. Toch is een excursie nog steeds gevaarlijk.

Als poortwachters van de oude wereld rijzen de Skellig Rocks op uit de Atlantische oceaan. Vroeger was men er van overtuigd dat achter deze twee hoge rotseilanden voor de uiterste westkust van Ierland het einde van de wereld begon. Inmiddels weet iedereen dat vierduizend kilometer voorbij Little en Great Skellig nog een heel continent ligt. Dit neemt niet weg dat het nog steeds van durf getuigt om koers te zetten naar deze rotsen. Ik ga de uitdaging aan en bel Joe Roddy, die toeristen naar de Skelligs vaart – zij het nadrukkelijk op eigen risico. Gerarda gaat mee. Niet dat ze zo graag wil. Het is meer om mijn handje vast te houden, zegt ze.

De avond ervoor drinken we ons in de havenkroeg van Portmagee moed in. Er is een singsong. Of we een bijdrage willen leveren. Nog maar net zijn we het eens over Ketelbinkie of Marian, de dochter van de kroegbaas, zet een Ierse ballade in. Iedereen luistert eerbiedig toe. Na afloop legt ze ons uit dat het lied gaat over een visser, John O’Neill, die op een van de Skelligs was geklommen om uit te kijken naar de boot van dierenhuiden, waarmee de legendarische Ierse heilige Saint Brendan met een groep monniken de grote oversteek naar ‘het Beloofde Land’ waagde. John gleed uit, tuimelde in zee en werd aan boord gehesen. Hij maakte alle wonderlijke avonturen mee van Saint Brendan en zijn eerwaarde metgezellen. Ze werden belaagd door zeedraken, door bergen bekogeld met vuur en aangevallen door kwaadaardige walvissen.

We zijn allebei een beetje teut. De boodschap komt niet over. „Wat leuk, de Skelligs, daar gaan we morgen heen”, zegt Gerarda. Marian kijkt ons strak aan, glijdt van haar kruk en loopt weg. Een stamgast waarschuwt ons dat het er lelijk kan spoken. De lieflijk spiegelende oceaan kan zomaar veranderen in een woedende watermassa. We nemen er nog een.

De volgende morgen brengt mooi weer. Schipper Joe Roddy lijkt tevreden. Het zal allemaal wel niet zo’n vaart lopen.

Het is laat geworden, maar eenmaal op volle zee zijn we klaarwakker. De boot krijgt harde klappen. We worden omhoog gegooid en neergesmakt. We houden ons vast aan elkaar en aan de reling. Roddy lurkt onverstoorbaar aan zijn pijp. Wel zie ik een zorgelijk trekje om zijn mond als we worden opgeslokt door de mist. Volgens Roddy varen we onder Little Skellig. Hij oriënteert zich op het gekrijs van de zeevogels rond de kleine rots. Op de tast, zoals hij zelf zegt, vindt hij korte tijd later de aanlegsteiger van Great Skellig. Het valt niet mee om van boord te komen. Als bij een paternoster moet je op exact het juiste moment, als de boot het hoogst op de golf ligt, aan wal stappen.

Gerarda vindt het mooi geweest. Moederziel alleen maak ik de lange klim naar de top over de 640 treden, die in de zesde eeuw door kluizenaars werden uitgehakt. Op mijn laatste benen bereik ik een paar ronde hutten van opgestapelde stenen en een kerkhofje met verweerde Keltische kruisen. Ik kan me goed voorstellen, dat op deze naargeestige plaats de depressies uit Ierland worden geboren.

Terwijl ik op adem kom, breekt de zon door. Het zonlicht streelt de rotsen en spettert op het water. In de verte, boven het vasteland, flitsen bliksemschichten tegen een inktzwarte lucht. Ik tel drie, vier regenbogen.

Ben ik aan het hallucineren? Ik trap zo hard tegen een steen, dat mijn instapper uitvliegt en over de rotsen springend in de diepte verdwijnt. In een reflex wil ik er achteraan, maar een stem in mijn hoofd houdt me tegen. Het is Marian. Eén John O’Neill is wel genoeg.

Gerarda is ongerust als ik bleekjes voor haar sta. Ze pakt mijn hand.

„Waar is je schoen?”

„Naar het Beloofde Land.”

    • Otto Holzhaus