Prentenboeken zijn een bron van kennis voor peuters

Wat heel veel ouders al dachten: voorlezen uit prentenboeken blijkt niet alleen leuk, maar ook leerzaam voor peuters. foto sake elzinga Nederland-Leeuwarden (FR) 03-12-2001 Eerste 2 talige kinderceche "de Bernestate". In de creche wordt o.a. voorgelezen uit in het Fries vertaalde kinderboeken. Creche medewerkster Jessica van de Meer leest de anderhalf jarige Gellant en de 2 jarige Kors voor. digitaalbeeld. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Prentenboeken zijn voor peuters een belangrijke bron van informatie over de wereld. Dat concluderen twee psychologen uit Australië en Amerika na een onderzoek waarin zij kinderen van anderhalf tot tweeënhalf wisten te motiveren om een eenvoudige scène uit een prentenboek na te spelen (Developmental Psychology, nov. 2006). Het maakt wel uit hoe oud de kinderen zijn en hoe levensecht de plaatjes.

Het voorlezen van prentenboeken aan peuters geldt als een leuke en vooral leerzame activiteit – althans bij opvoeders in westerse culturen. In een recente Amerikaanse enquête (2003) onder ouders van kinderen tot vier jaar rapporteerden de ouders vaak dat ze stapels prentenboeken bezitten en ouders zeiden hun kinderen dagelijks gemiddeld 40 minuten voorte lezen. In Nederland zal dat niet veel anders zijn. Maar dichten die ouders de kleintjes niet te veel capaciteiten toe; kunnen die wel een relatie leggen tussen plaatjes en situaties in de werkelijkheid?

Om die vraag te beantwoorden bedachten Gabriëlle Simcock en Judy DeLoache experimenten met in totaal 108 kinderen (blank, middenklasse) – 36 per leeftijdsgroep van 18, 24 en 30 maanden. Ze gebruikten zelfgemaakte prentenboekjes van zes plaatjes, met steeds één voorleeszin. Eén boekje met foto’s, eentje met nagetekende foto’s en een met lijntekeningen. De plaatjes vormden bij alledrie hetzelfde ‘verhaaltje’: een kind stopt drie voorwerpen in een busje en rammelt er daarna mee. Eerst lazen zij twaalf kinderen individueel het fotoboekje voor en twaalf het nagetekende boekje. Daarna kregen de kinderen exact de voorwerpen uit het boekje voor hun neus, met een lichte aanmoediging er iets mee te doen. Als de kinderen ‘klaar’ waren, ging de voorlezer zelf het verhaaltje voor de kinderen naspelen. Een controlegroep van twaalf kinderen kreeg wel de speelsessie, maar werd niet eerst voorgelezen.

Slechts enkele kinderen uit de experimentgroep bleken in staat het verhaaltje chronologisch na te spelen. Maar op onderdelen presteerde deze groep significant beter dan de controlegroep. Ze waren door de voorbeelden duidelijk gemotiveerd geraakt om dingen in het busje te stoppen. Met één uitzondering: de anderhalfjarigen. Die hadden wel de foto’s begrepen, maar niet de nagetekende foto’s. En geen van de kinderen ging uit zichzelf met het busje rammelen, maar dat komt waarschijnlijk doordat ze nog te klein waren om te begrijpen dat er geluid werd verbeeld.

In een tweede experiment werd de procedure (nieuwe kinderen en geen peuters meer van 18 maanden) herhaald, met alleen het prentenboekje met de lijntekeningen. Ook hier scoorde de experimentgroep beter dan de controlegroep. En de kinderen van tweeënhalf hadden het duidelijk beter gesnapt dan die van twee. De conclusie: heel jonge kinderen kunnen uit plaatjes van alles leren. Vanaf twee jaar kunnen ze dat zelfs uit steeds minder realistische tekeningen. Marlies Hagers