‘Nederland moet zijn Europese huiswerk doen’

Scheidend topambtenaar van Economische Zaken Jan Willem Oosterwijk pleit in zijn laatste traditionele nieuwjaarsartikel voor meer aandacht voor Europa bij Nederlandse politici.

Jan Willem Oosterwijk

Nederland kan beter geen zelfstandig beleid voor de toegang tot internationale energiebronnen voeren. In het geopolitieke krachtenveld met machtsspelers als Rusland is een externe Europese energiepolitiek daarom gewenst. Tegelijkertijd heeft Nederland als aardgasproducent baat bij de versnelde ontwikkeling van een regionale Noordwest-Europees energienetwerk.

Het is een voorbeeld van het ‘maatwerk’ dat de secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken, Jan Willem Oosterwijk, bepleit bij de houding van Nederland ten aanzien van de EU. Op sommige terreinen heeft Nederland voordeel bij méér Europa, op andere terreinen moet het juist minder. Deze opvatting staat haaks op de houding van de Nederlandse politiek dat alles wat over Europa gezegd wordt stemmen kost.

Deze week schreef Oosterwijk in zijn hoedanigheid als hoogste ambtenaar van Economische Zaken voor de zevende en laatste keer het traditionele nieuwjaarsartikel in economenblad ESB. Het was zijn afscheid van het Haagse beleidscircuit, na een carrière van dertig jaar waarin Oosterwijk ambtelijke topfuncties bekleedde als thesaurier-generaal op het Financiën, secretaris-generaal van Economische Zaken en voorzitter van het Europese economische beleidscomité in Brussel. Op 1 maart begint hij als voorzitter van het college van bestuur van de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

Oosterwijk is geen econoom van provocerende uitspraken of ambtelijke polemieken. Zijn bezorgdheid over de grote stilte bij Nederlandse politici ten aanzien van Europa is daarom des te opmerkelijker. Zijn oproep voor meer aandacht voor Europese beleid wordt in de ambtelijke Haagse top breed gedeeld. Er is sprake van toenemende frustratie dat men hier geen gehoor voor vindt bij de politieke top.

Nederland, aldus Oosterwijk, moet zijn Europese huiswerk op orde hebben en politici moeten meer aandacht aan de EU besteden. Want ambtelijk kan men zijn zaakjes nog zo goed op orde hebben, als de politieke trekkracht ontbreekt, gebeurt er niets. Het ‘nee’ bij het referendum over de Europese grondwet, vorig jaar mei, heeft in Nederland voor een politieke verlamming gezorgd die nog niet voorbij is. Terwijl de Europese agenda niet stil staat en de andere EU-lidstaten gewoon doorgaan, is het in Nederland „stil” geworden.

Daarom, aldus Oosterwijk in een toelichting op zijn ESB-artikel, moet het nieuwe kabinet een verse start met de Europa-agenda maken. Er is volgens hem sprake van een cynische toon in de discussie over Europa. Maar: „We hebben geen keus als we het risico van marginalisering aan tafel in Brussel willen voorkomen.” Hij wijst erop dat verbetering van het bestuur van de EU in het belang is van Nederland. En op het onderbelichte gegeven dat de EU voor een enorme welvaartswinst heeft gezorgd, óók voor Nederland.

De populistische suggestie dat Nederland wel met minder Europese invloed verder kan, wijst Oosterwijk van de hand. Er moet wél sprake zijn van maatwerk: onderwerpen met schaaleffecten en grensoverschrijdende kwesties kunnen naar het Europees niveau worden getild, op andere terreinen – sociale zekerheid, arbeidsmarkt – moeten de lidstaten het heft in eigen hand houden. De Europese poging om met de ‘Lissabonagenda’ van de EU de meest concurrerende economie van de wereld te maken, is mislukt omdat men zocht naar één blauwdruk voor alle landen. Het werkt beter om zulke hervormingen, die gericht zijn op vergroting van het concurrentievermogen en versterking van het economische draagvlak onder de verzorgingsstaat, op nationaal niveau te blijven uitvoeren.

Ter illustratie maakt Oosterwijk een onderscheid naar de verschillen in de stand van zaken bij het economische hervormingsbeleid. Er is in continentaal Europa sprake van een peloton van landen die matig presteren, een achterhoede van Zuid-Europese landen en een noordwestelijke voorhoede, waartoe ook Nederland behoort.

Na de hervormingen van de sociale zekerheid, het pensioenstelsel en de sanering van de begroting in de afgelopen kabinetsperiode staat Nederland nu voor micro-economische uitdagingen. Verbetering van de naschoolse opvang ter verruiming van de arbeidsdeelname van vrouwen, verhoging van de arbeidsparticipatie van oudere werknemers, meer ruimte voor concurrentie in de dienstverlening, vermindering van de regeldruk, kwaliteitverbetering in het (hoger) onderwijs – het is maar een greep. Het zijn onderwerpen die aan de orde komen bij de onderhandelingen over een nieuw kabinet. Want het maatwerk dat Oosterwijk bepleit bij de Europese rol, betekent ook dat nationale prioriteiten gesteld moeten blijven.

    • Roel Janssen