Na de ramp

anke b. witteveen – the long-term aftermath of the amsterdam air disaster: psychological wellbeing of professionally involved rescue workers – 200 p. vrije Universiteit amsterdam, 8 december 2006. promotores: prof.dr. h.m. van der ploeg; prof. dr ir. t. Smid

Het is alweer ruim veertien jaar geleden dat een vrachtvliegtuig van El Al in de Bijlmer neerstortte en een enorme bres in een van de grote flats sloeg. Aanvankelijk was er de vrees dat bij deze ramp honderden mensen, onder wie grote aantallen illegaal in Nederland verblijvende Ghanezen, om het leven zouden zijn gekomen. Inclusief de kleine bemanning van het toestel bleef het aantal slachtoffers uiteindelijk beperkt tot bijna 45. Gewonden waren er heel weinig, maar de ravage was enorm. De onrust daarna ook, want al heel gauw ging het gerucht dat het vliegtuig een geheime en voor de gezondheid gevaarlijke lading zou hebben vervoerd. De autoriteiten zouden daar ook weet van hebben gehad, maar welbewust hebben gezwegen over de kans op radioactieve en chemische besmetting. Zeker toen omwonenden, maar ook reddingswerkers en hulpverleners, lang na het ongeluk onverklaarbare lichamelijke klachten begonnen te melden, kon de angst en de onzekerheid niet meer weggewuifd worden. Minister Borst van volksgezondheid, die overigens pas drie jaar na de ramp aantrad, besloot tot een epidemiologisch onderzoek dat weinig verontrustends opleverde, maar de onrust niet wegnam. De Tweede Kamer stelde een parlementaire enquête in, die heel veel aandacht van de media trok. Dag aan dag waren op de televisie de laatste woorden van de piloot te horen ‘we are going down’ en was het rokende gat in het flatgebouw te zien. Dat was twee jaar voor 9/11 in New York . De Bijlmerramp en zijn ‘aftermath’ lijkt er, wanneer je nu op beide gebeurtenissen terugkijkt, bijna model voor te hebben gestaan.

De enquête was al achter de rug, toen er ook onderzoek op gang kwam naar de gezondheid van de brandweerlieden en politiemensen die onmiddellijk na de ramp ter plekke waren. Dat heeft tot twee proefschriften geleid, deze van Anke Witteveen over de psychische aspecten en een van Pauline Slottje over de mogelijke lichamelijke gevolgen van de betrokkenheid bij de ramp. Ook in de internationale literatuur over trauma en stress na rampen en ongelukken zijn het opvallende studies. De afstand in de tijd tot de ramp is met meer dan acht jaar erg groot en de onderzoeksgroep is ook zeer omvangrijk. Bijna 3000 politiemensen en brandweerlieden waren meteen na de ramp betrokken bij de hulpverlening, de ordehandhaving en het blus- en reddingswerk. Bijna allemaal bleken ze ook zoveel jaar later nog bereikbaar voor de onderzoekers. Uiteindelijk zijn er zo’n 1200 ook in het onderzoek betrokken. 850 politie- en brandweermensen die in 1992 niet in het rampgebied actief waren geweest, konden als controlegroep gebruikt worden. Daar was ook wel behoefte aan, omdat van de bij de ramp betrokken groep geen gegevens over hun psychische of fysieke gesteldheid bekend waren kort na de ramp, laat staan ervoor. Ook in de jaren na de ramp was nooit systematisch nagegaan hoe het met hen ging. Het onderzoek van Anke Witteveen over de late gevolgen berust dus op één meting, vele jaren na de ramp. De groep kan dus niet met zichzelf vergeleken worden, maar alleen met een vergelijkbare groep van niet-betrokkenen. Voor de brandweerlieden was zelfs dat niet mogelijk, omdat ongeveer het hele korps op 4 oktober 1992 op de plek van het ongeluk was ingezet. Zij zijn vergeleken met een groep onvermijdelijk gemiddeld veel jongere collega’s die toen nog niet bij de brandweer waren.

Dit is een echt meetinstrumenten-onderzoek, waarin ook heel veel aandacht gegeven wordt aan de betrouwbaarheid van de metingen en de validiteit van de instrumenten. De onderzoekster gaat wat dat betreft echt niet over één nacht ijs en geeft steeds heel eerlijk en uitvoerig inzicht in de tekortkomingen van de vragenlijsten en de beperkingen van haar onderzoek, maar het blijft allemaal wel erg kil en onpersoonlijk. Zelfs met de kleine groep mannen die uit het onderzoek naar voren komt als nog duidelijk heel erg bezig met de verwerking van wat ze gezien hebben of ook als bang voor wat ze zelf aan gezondheidsschade opgelopen zouden kunnen hebben, is geen persoonlijk gesprek gevoerd. Dat is jammer, want zo blijft toch onduidelijk wat hen nu onderscheidt van hun collega’s en weten we ook niet of de problematiek zo ernstig is dat er hulp nodig is. We komen zelfs niet te weten of ze misschien al hulp hebben gehad. Ik zou ook heel graag hebben willen weten wat de steeds maar toenemende onrust over de aard van de lading voor hen heeft betekend en hoe zij gereageerd hebben op de voortdurende herhaling van de meest dramatische beelden van de ramp. Enigszins terloops komt in het onderzoek naar voren dat de sterke groepscultuur van de brandweer ook een positieve invloed op de verwerking heeft gehad. Dat de onderzoeksgroep vooral uit mannen in een actief en soms gevaarlijk beroep bestond, roept natuurlijk ook vragen op. Gaan zij anders met stress om? Het blijft bij de suggestie dat ondanks de zeer directe confrontatie met de slachtoffers de actieve en handelende inzet van de brandweer een positief effect op de verwerking heeft.

Blijkt uit de resultaten van het onderzoek dat er inderdaad verschil is in gezondheid en gezondheidsbeleving tussen de onderzoeksgroep en de controlegroep? Laboratoriumonderzoek van bloed en urine laat op geen enkel punt een relevant onderscheid in gezondheid zien tussen de twee groepen, maar in de zelfrapportage over de lichamelijke en psychische gezondheid blijken degenen die in het rampgebied gewerkt hebben toch meer klachten te hebben.

Na de ramp zijn zij ook vaker met nare omstandigheden en tegenslag geconfronteerd. Erg groot zijn de verschillen niet en misschien zou je ook eerder moeten zeggen, dat het vreemd zou zijn als een zo dramatische gebeurtenis als de Bijlmerramp en zijn jarenlange en verontrustende nasleep niet ook bij de hulpverleners van toen zijn sporen zou nalaten. Bij 3% van de onderzoeksgroep kan gesproken worden van een posttraumatische stressstoornis, maar minstens zo opvallend vond ik toch dat bijna tweederde van de onderzoeksgroep de Bijlmerramp verschrikkelijk vond, maar toch ‘niet het ergste wat hen was overkomen’. Voor 7% was het persoonlijk zelfs helemaal geen drama. Ik denk dat je dat positief moet interpreteren. Het was niet hun ramp, het was hun werk en ze konden op een cruciaal moment iets nuttigs doen. Dat helpt.

    • Paul Schnabel