Met acht lijfwachten in de achterbak op pad in Mogadishu

De ontspannen sfeer in de zanderige straatjes van Mogadishu is bedrieglijk. Twee weken na de verdrijving van de moslimfundamentalisten wordt er nog veel geschoten. ‘Ieder normaal mens heeft een wapen.’

Steegje in de oude stad van Mogadishu Foto AFP Somalis stroll through the narrow alleys of the old city of Mogadishu 11 January 2007. The United States called 12 January 2007 for an immediate "inclusive dialogue" between all parties in Somalia and the quick deployment of peacekeepers to restore lasting peace in the shattered nation. After weeks of heavy fighting in which a powerful Islamist movement was routed by Ethiopian troops backing the weak Somali government, the US envoy to neighboring Kenya said the steps were the only way to avoid deeper turmoil. AFP PHOTO/STRINGER AFP

Slechts acht lijfwachten wachten me op bij aankomst op het vliegveld van Mogadishu. Een tegenvaller, want ik had er vanuit Nairobi veertien besteld. De recente precaire veiligheidssituatie in de Somalische hoofdstad heeft de vraag naar gewapende bescherming kennelijk opgedreven.

Niet op straat lopen, nooit in een file blijven staan, bij menigtes uit de buurt blijven en pas uit de auto stappen als deze door het hek is binnengereden. Dit zijn vuistregels die geen vrije interpretatie toestaan voor de bezoeker: negen buitenlandse correspondenten vonden de afgelopen jaren de dood in de hoofdstad omdat ze een van deze waarschuwingen in de wind sloegen. Onder de Somaliërs sneuvelden drie collega’s.

Twee uur na aankomst loop ik omringd door lijfwachten door de zanderige straatjes. De lome hitte van de zee en de ontspannen sfeer bij de theetentjes langs de wegen scheppen een schijnbeeld; de argeloze wandelaar vormt een gevaar voor zichzelf.

In de terreinwagen, met de lijfwachten in de laadbak en een extra geweer op de achterbank, rijden we later op de dag naar het grote Benadir ziekenhuis. Dokter Hassan leidt me door verlaten gangen en over goeddeels lege ziekenzalen. Waarom zijn er nauwelijks patiënten? „Er lagen hier ruim twee weken geleden veel gewonde soldaten van de islamitische fundamentalisten, maar ze gingen er vandoor uit angst voor wraak door de binnenvallende Ethiopische soldaten”, legt dokter Hassan uit.

Een naïeve vraag: er bestaan toch internationale wetten die verbieden om gewonde tegenstanders uit een ziekenhuis te ontvoeren? Gelach, ook onder het handjevol pijnlijdende patiënten. „Wetten bestaan al jaren niet meer in Somalië”, antwoordt dokter Hassan.

Op een matje ligt een jongen die wild met zijn ogen draait. Ongecontroleerd trappen zijn benen en beven zijn armen. Geraakt door scherven van een mortiergranaat, waardoor zijn zenuwstelsel op hol sloeg. Geen dokter durft hem met de beperkte middelen te opereren. Naast hem een vriend met kogelwonden in z’n benen en dij. „Ik hield me niet aan de aparte gewoontes van Mogadishu”, vertelt hij. „Steek je een straat over tijdens gevechten, dan blijf je eerst enkele minuten langs de muur schuifelen. En dan, plotseling en ineengedoken, ren je naar de overkant. Zelfs de geiten leerden die gewoonte aan, maar op de middag van mijn verwonding had ik te veel haast.”

Om vijf uur kun je beter binnen zijn. We rijden in hoge snelheid naar ons hotel. Er zijn nauwelijks gasten, alleen een groepje Chinezen werkzaam voor een bedrijf voor mobiele telefonie en een groepje Egyptische dokters uitgezonden door de Arabische Liga. We eten alles wat een Somaliër met afschuw laat staan: kreeft, oesters, paddestoelen, vis en spaghetti, een koninklijke maaltijd uit de Indische Oceaan.

Bij de tweede kreeft klinkt buiten een krachtige mortierontploffing, bij de derde ratelen de machinegeweren in volle hevigheid. De kok rent naar het platte dak om het schouwspel niet te missen. „No problem, no problem”, grimlacht hij, „dit zijn Somalische spelletjes.” Tot de volgende ochtend gaat het schieten rond het hotel door, gevechten tussen soldaten van de interim-regering en vermoedelijke fundamentalisten. Met veel schoten in de lucht om bij de tegenstander indruk te maken.

De volgende ochtend door de nauwe straatjes van het centrum eerst naar het internetbedrijf en dan naar het hoofdkantoor van een telefoonbedrijf. Als we moeten stoppen voor een ezelkar of kapotte auto springen de lijfwachten uit de achterbak en maken gehaast de weg vrij.

Directeur Hassan Idow van de onderneming Hormuud vertelt over de noodzaak van vrede en veiligheid. „Met de fundamentalisten aan de macht het afgelopen half jaar nam de verkoop van mobiele telefoons met 25 procent toe, want de inwoners voelden zich weer vrij om met een mobieltje over straat te lopen.” De telefoontarieven in Somalië zijn de goedkoopste ter wereld, gesprekken met landlijn in Mogadishu kosten zelfs niets. „De zakenlui gaan met de nieuwe regering samenwerken als ze veiligheid brengt, zo niet, dan gaan we naar andere manieren zoeken voor onze bescherming.” De Islamitische Rechtbanken ontstonden tien jaar geleden op voorspraak van de zakengemeenschap.

Mogadishu functioneert op eigen wijze. De pokdalige muren wijd en zijd tonen de in 1990 begonnen burgeroorlog. Achter hoge borstweringen beschermen de paar rijken zich in hun villa’s, omgeven door het gebrom van aggregaten. Buurtcomités regelen ordediensten, als straf worden dieven door burgerwachten een dag lang aan een hek gebonden en dan vrijgelaten.

Metershoge bergen afval liggen op het geërodeerde wegdek, geiten knabbelen aan de stukjes gras in de spleten, magere koeien kauwen plastic. Tussen het steengruis lopen scholieren in hagelwitte uniformen, studenten drinken naast een ingeslagen mortiergranaat thee geserveerd door een vrouw gekleed in gracieus golvend gewaad. In de schaduw van een boom rusten kamelen, naast mannen die naar de lokale zender kijken op een televisie gevoed door een accu. Een dorpsgek praat wild gebarend tegen hersenschimmen. Hij valt niet op.

Er wordt weer geschoten. We naderen de grote Bakara-markt, het deel dat Cirtogte heet, vrij vertaald: in de luchtschieters. Want wie een geweer koopt wil het uitproberen. De volgende wapens liggen uitgestald: geweren, pistolen, granaten, kogels, landmijnen. Op aanvraag krijgt de geïnteresseerde koper ook afweergeschut, luchtdoelraketten en ander wapentuig te zien. Het is hier te gevaarlijk voor een buitenlander en ik neem een verkoper mee naar een veiliger plaats voor een gesprek.

Ali (23) zit al negen jaar in het vak. „Mijn vader, mijn moeder, mijn oom en mijn broer, wij allen verkopen wapens.” De prijzen zijn de afgelopen dagen gestegen. „Vlak voor het vertrek van de islamitische fundamentalisten daalden de prijzen, want ze kwamen hun wapens verkopen. Nu is de vraag weer aangetrokken, de inwoners van Mogadishu voelen zich opnieuw bedreigd. Iedere boer, iedere nomade, iedere dief en ieder normaal mens heeft een wapen. Iedere familie bezit ten minste twee geweren. Vandaag verkocht ik er acht.”

Met trots praat Ali over zijn zaken. „Wie er de laatste jaren ook heersten in Somalië, ze kochten hun wapens van ons in Cirtogte.” Hij aarzelt even. „Behalve de strijders van de Islamitische Rechtbanken, die kregen hun wapens uit het buitenland, uit Eritrea en Jemen. Ja, die waren wel wat beter dan de onze, vooral ook moderner.” Wat heeft Ali allemaal te bieden? „Alles”, zegt hij met een breed gebaar, „alleen een tank en een kernbom kan ik niet leveren.”

Mijn bewakers gebaren: tijd voor vertrek. Te lang op één plaats verblijven trekt gevaar aan. „Als ik nu met jou over de markt ga lopen, wat gebeurt er dan?” wil ik van Ali weten. Even verschijnt er een trekje van medelijden op zijn gezicht, onmiddellijk verdreven door de typische Somalische uitdrukking van zelfverzekerde arrogantie. „Als ík je niet gijzel voor een borgsom, dan heeft binnen vijf minuten een ander dat gedaan. Je bent welkom.”