Konaain mé Gueuze

In Brussel betreurt Joep Habets alsnog de afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden

Een restaurant dat ’t Oud Konijntje heet of Le chien qui fume kan op de onverdeelde sympathie van het Eteneetteam rekenen. Met groot genoegen tomtomden we dan ook naar restaurant In ’t Spinnekopke in Brussel, even buiten de wijk rond de Sint Kathelijne waar zich zoveel eethuisjes bevinden. In ’t Spinnekopke is een buitenbeentje, hier serveert men Brusselse streekgerechten.

Van buiten oogt In ’t Spinkopke al rustiek, binnen wanen wij ons in een herberg van weleer. Het is niets voor eters met aanleg voor claustrofobie. De plafonds zijn laag, de ruimtes klein en de tafeltjes extreem smal. De tafellopers zorgen voor de gewenste Brabants bonte couleur locale.

We kunnen niet zeggen dat we dit adresje hebben ontdekt, voortdurend komen er nieuwe gasten binnen met een reisgids in de hand. Dertigers van over de hele wereld zitten schouder aan schouder met vijftigplus Brusselaars. De verfomfaaide kaart verraadt een bestendig culinair repertoire.

De Italiaanse familie naast ons bestudeert nerveus het menu op zoek naar houvast. Ze zijn het op de kaart gebezigde Brussels dialect noch het Frans machtig. Tot hun opluchting zien ze iets min of meer bekends, ‘fromage’, en na het woord ‘krokette’ te hebben overwogen wagen ze de gok. Als de bestelling op tafel komt gaan ze met vraagtekens in de ogen naarstig in een woordenboek op zoek of ze dit nu echt hebben besteld.

Voor mij zijn de gerrenoet krokette geen gok, maar opgelegd pandoer. De garnaalkroketten ogen fraai, handgemaakt en eivormig, met een korstje dat met recht goudbruin mag worden genoemd. Na het aansnijden loopt de vulling glanzend weg. Ik zie ook wat draden trekken. Dat wijst op het gebruik van kaas, geen ongewoon ingrediënt in een garnalenkroket. In dit geval is er wel erg veel van gebruikt, de spaarzaam aanwezige garnalen zijn nauwelijks te proeven. De oesters in het andere voorgerecht houden wel stand tegen de mousseline van Chablis waarmee ze zijn gegratineerd. Wellicht is het een wat minder authentiek Brussels gerecht, maar het bevalt wel.

Daarna is de tafel aan het konaain mé Gueuze. Het konijn wordt geserveerd uit een klein rood emaillen pannetje, dat voor een tweede ‘servies’ op tafel blijft staan. Het malse en sappige vlees valt van het bot. Het langdurig stoofproces heeft de ingrediënten tot het geheel gesmeed dat de Belgische gewesten zo ontberen. Hetzelfde geldt de staufkarbenaaie mi Lambic. Karbonade is in Vlaanderen rundvlees en de stoofkarbonade is het beste te vergelijken met hachee, maar dan in bier gestoofd. Het gerecht is rijk van smaak met een stevig zuur accent. Het eenpersoonsstoofpannetje is royaal gevuld met vlees en uienrijke jus. De begeleidende frieten hebben een herkenbare aardappelsmaak, maar geraken snel slap.

Tot besluit nemen we de waefele van Brussel à l’orange om de uit gastronomisch oogpunt zo betreurenswaardige afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden te memoreren. De wafel is opgetuigd met sinaasappel in verschillende gedaanten. De wafel wordt gloedvol geflambeerd, tot ons genoegen en ook tot dat van de Italiaanse familie. Drukgebarend naar onze borden bestellen ze hetzelfde. Zelfs als het om streekgerechten gaat is de taal van het bord internationaal.

In ’t Spinnekopke, Bloemenhofplein 1 Brussel 00 32 (0) 2 5118695, www.spinnekopke.be
    • Joep Habets