Een beschamend vonnis voor de rechtsstaat

De veroordeling van Nederland door het Europese Hof in Straatsburg is ronduit beschamend voor het vreemdelingenbeleid van het kabinet. Artikel 3 van het Europese Verdrag dat Nederland overtrad, wordt wel beschouwd als de kern van de mensenrechten: een absoluut verbod op folteren en andere onmenselijke of vernederende behandeling door lidstaten van de Raad van Europa. Er zijn geen uitzonderingen mogelijk. Wie zo’n vonnis krijgt, plaatst zich in zekere zin buiten de kring van beschaafde landen. Met de voorgenomen uitzetting van een Somaliër handelde Nederland dus onmenselijk.

Deze veroordeling is om meerdere redenen opvallend. Nederland staat internationaal goed aangeschreven wat mensenrechten betreft. Slechts 1 procent van alle zaken die ‘Straatsburg’ behandelt, betreft de rechtsstaat Nederland. In 2005 waren het er 511, waarvan 440 niet-ontvankelijk. Tachtig procent van die zaken betrof het vreemdelingenbeleid. Er kwamen tien arresten uit, waarin zeven keer een schending van het verdrag werd geconstateerd. Maar die zaken, ook die uit 2006, waren wel om je een hoedje van te schrikken. Komt dat écht voor in ons land? Het Koninkrijk is veroordeeld wegens een oneerlijk proces, onmenselijke uitzettingen, erbarmelijke detentieomstandigheden (op Aruba), het knevelen van een advocaat en een slecht onderzocht dodelijk schietincident.

De veroordeling van deze week over de onmenselijke uitzetting van een Somaliër is al de tweede vreemdelingenzaak in korte tijd die tot deze, voor Nederland uiterst zeldzame artikel-3-veroordeling heeft geleid. Nederland bevindt zich nu in het gezelschap van landen als Rusland, Turkije en Polen, samen verantwoordelijk voor 40 procent van alle klachten in Straatsburg. Het Nederlandse vreemdelingenbeleid stuit in Straatsburg op groeiende kritiek. In de weinig opgemerkte zaak Rodriguez da Silva & Hoogkamer (NJB 2006/31) verweet Straatsburg de Nederlandse vreemdelingendienst al ‘excessief formalisme’. In de zaak van de Somalische asielzoeker van deze week corrigeert het Hof op symbolische wijze dat formalisme waar de Raad van State ook de Nederlandse vreemdelingenrechters toe dwingt.

Straatsburg betrok in het vonnis ruimhartig informatie van Amnesty, Vluchtelingenwerk, de UNHCR, onafhankelijke deskundigen en zelfs berichtgeving van de BBC bij de beoordeling van de binnenlandse veiligheid in Somalië. Met nadruk stellen de Europese rechters dat een dergelijke inhoudelijk volledige toetsing met meeweging van actuele omstandigheden de juiste weg is. Dat steekt scherp af tegen de gedweeë wijze waarop Nederlandse rechters zich beperken tot de landenrapporten van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Tegelijk neemt het Hof verder afstand van eerdere jurisprudentie over de zware bewijslast voor asielzoekers die tot bedreigde groepen behoren. Voortaan hoeven zij bij het Hof niet meer aan te tonen dat ze door persoonlijke omstandigheden meer gevaar lopen dan andere leden van hun groep of minderheid. Ook dit standpunt kan niet zonder gevolgen blijven in de Nederlandse vreemdelingenkamers.

Meestal pleegt de Staat artikel-3-zaken in Straatsburg te schikken, juist omdat hij wil vermijden dat het Hof op basis van de analyse van een enkel geval tot uitspraken komt die tot onbeheersbare gevolgen leiden. Dat risico is hier ruimschoots aanwezig. Een verplichte volledige, inhoudelijke toetsing met een actualisering van de situatie maakt hoger beroep nog aantrekkelijker voor asieladvocaten. Procedures kunnen langer worden, achterstanden worden groter, de roep om pardonregelingen zal groeien. Anderzijds moest er een Europese rechter aan te pas komen om Nederland te vertellen dat de mantra van minister Verdonk (VVD) – regels zijn regels – tot schending van de meest fundamentele van alle mensenrechten kan leiden. Behalve beschamend is zo’n constatering ook vernederend. En niet alleen voor één minister.