Duimzuiger wint het debat

TRAGIKOMISCH: Justin (Lou Taylor Pucci) zuigt op zijn duim

Thumbsucker(Universal)Film: Extra’s:

Niet altijd staat een plekje in de competitie van een groot filmfestival garant voor eeuwige roem. Zelfs niet als je hoofdrolspeler er een Zilveren Beer voor beste acteur wint, zoals Lou Taylor Pucci (1985) twee jaar geleden overkwam op het Filmfestival Berlijn. Pucci laat zich nog het beste omschrijven als de nieuwe Jake Gyllenhaal (omdat in de filmindustrie nou eenmaal altijd iedereen de nieuwe zus of zo is, behalve de sporadische Jake Gyllenhaal). En Thumbsucker als de nieuwe Donnie Darko, als het verhaal over een onaangepaste zeventienjarige duimzuiger niet zoveel lichtvoetiger was dan het intrigerende relaas over een gedragsgestoorde scholier die moet zien te voorkomen dat de wereld over 28 dagen, zes uur, 42 minuten en 12 seconden zal vergaan. Maar verder past het speelfilmdebuut van videoclipregisseur Mike Mills 1966) prima in de traditie van de Amerikaanse independent, een filmgenre dat eigenlijk gewoon heet naar z’n productieomstandigheden (namelijk semi-onafhankelijk van de Amerikaanse filmstudio’s), maar ook een soort stempel is voor films over tragikomische strubbelingen van jou en mij. Geen prinsessen, geen superhelden.

Thumbsucker geeft dan net even een onverwachte manier om die alledaagse saaiheid van opgroeien, eenzaamheid, onbeantwoorde liefdes, ontoereikende ouders te bekijken. En Freud had er wel raad mee geweten, met dat duimzuigen. Onverwachte bijrol is er voor de filosofische orthodontist (een langharige Keanu Reeves die nog steeds worstelt met zijn post-Matrix-imago) die probeert Justins door het duimzuigen vooruitstaande voortanden weer in het gareel te krijgen. Maar daar helpen zelfs hypnose en Ritaline niet tegen. Misschien is dat nog wel de aardigste wending die de film neemt. Al die anti-duimzuigbehandelingen maken van Justin een bijna doodnormale puber, wat zeg ik, een ideale zoon. Het anti-ADHD-wondermiddel zorgt ervoor dat hij uit zijn sluimer ontwaakt en scherper dan ooit de ene na de andere debatwedstrijd wint. Maar, laat Mills ons denken, en dat bevestigt hij op de op de dvd bijgeleverde promo-docu: hoe normaal is dat nou weer helemaal?

Net zoals zoveel filmmakende clipregisseurs (Mills werkte onder meer voor Moby, Pulp en Air) biedt Mike Mills in zijn film geen 90 minuten flitsende MTV-esthetiek. Hij lijkt eerder op zoek naar dat rare spanningsveld tussen de lelijkheid van Suburbia en de onverwachte schoonheid die daarin te ontdekken valt.

Dana Linssen