De professor kapte brandhout

Ooit werd de professor door Mao Tse-tung naar het platteland gestuurd, nu doceert hij Engels op een ultramoderne campus.

Mao op de universiteit van Hangzhou Foto Sarah Kenkiger Kenkiger, Sarah

‘Er is geen poort, terwijl dat toch gebruikelijk is in China”, zegt de professor enigszins afkeurend. We rijden de nieuwe campus op van de universiteit waar hij doceert en ik sper mijn ogen wijd open: het is alsof we in de Verenigde Staten zijn beland. Immense, futuristische gebouwen staan langs een gracht gegroepeerd. Ver van elkaar af, alsof er een onbegrensde hoeveelheid land voor handen is. Mijn blik glijdt langs glazen puien en overhangende zilveren daken die ondersteund worden door glanzende pilaren. De strakke lijnen van de gevels worden onderbroken door sober verspringende ramen en trappen die jazzy naar boven springen. Niet meer dan twee jaar is er verstreken tussen de eerste en de laatste steen die gelegd werden. Tweehonderd hectaren zijn nu bebouwd en ingericht, compleet met bloemperken, hagen en volwassen palmen.

„Twintigduizend studenten volgen hier inmiddels onderwijs”, vertelt de professor. „Ze wonen in dormitories aan de rand van de campus.” Vandaag is er niemand te zien, het is zondagmiddag en alle faculteiten zijn gesloten. „De mensa”, knikt de professor. „Tienduizend plaatsen. In twee zittingen kan iedereen worden gevoed.” „Het is haast niet te bevatten zo groot, zo veel”, zeg ik. „Wat mij betreft had het allemaal wel wat compacter gekund”, reageert de professor bescheiden, maar gevleid door mijn bewondering. „Als de studenten van de bibliotheek naar hun faculteit moeten en daarna willen gaan eten, is dat een afstand van zeker vijf kilometer. Maar er is een pendelbus.”

We waren de dag begonnen met een bezoek aan de oude campus, die nu alleen nog plaats biedt aan de postdoctorale studenten van de universiteit. Op een ereplaats, vlakbij de poort werden we verwelkomd door een zes meter hoge Mao Tse-tung die een hand bezwerend in de lucht hield. „Dat die er nog steeds staat”, had ik gezegd. De professor hulde zich eerst in stilzwijgen. Ik wilde niet verder aandringen want ik wist welke verschrikkelijke invloed Mao op zijn leven had gehad. Toen we even later vastraakten in het drukke verkeer van Hangzhou en van stoplicht naar stoplicht kropen, begon hij op cynische toon. „Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts was ik heel behendig in het vangen van slangen en ratten. Die aten we, ik had altijd honger.”

Kort daarna, wist ik, was hij als vijftienjarige naar het platteland gestuurd. Pas dertien jaar later mocht hij terugkomen naar Hangzhou. „Onze regering zegt dat er fouten zijn gemaakt maar dat we nu naar de toekomst moeten kijken”, vervolgde hij met een stem die geladen was met emotie. „Mao was een man, geen God.” Rond zijn mond verscheen een verbeten trek. „Wel, ik ben van mening dat je van het verleden moet leren. Anders zul je ooit dezelfde fouten maken.”

De familie van de professor ken ik al twintig jaar. Ik wist dat hij als een gebroken man was teruggekeerd uit zijn ballingschap. Op het platteland was hij getrouwd met een vrouw die net als hij naar het dorp gestuurd was ‘om van de boeren te leren’. Terug in de stad was hun huwelijk op de klippen gelopen. Zijn ex-vrouw lijdt tegenwoordig aan depressies, had ik gehoord, de professor zelf was een zeer gespannen man.

Bussen, warenhuizen, meer stoplichten, alles was vandaag in een mysterieuze mist gehuld. „Ik dacht dat mijn ouders het minder moeilijk zouden krijgen nadat ik naar het platteland gestuurd was”, schamperde de professor. Zijn moeder werd tijdens de Culturele Revolutie een spion van Taiwan genoemd, zijn vader een reactionair element. „Het maakte allemaal niets uit”, besloot de professor.

Geleden hadden ze toch. Zijn moeder kreeg letterlijk een beroerte van angst en was de laatste decennia van haar leven invalide geweest. „Over die periode wordt niet meer gesproken”, zei de professor rustig, maar het was duidelijk dat dit aan hem vrat. „Tijdens de geschiedenislessen op de scholen krijgen de leerlingen te horen over de Lange Mars, de Culturele Revolutie komt met geen woord aan de orde. Jonge mensen weten alleen dat wat toevallig in hun eigen familie wordt doorverteld.”

We stoppen voor de fonkelnieuwe letterenfaculteit waar de professor Engels doceert. We beklimmen wit betegelde trappen en lopen door brede, open gangen. We kijken door de ramen van de lokalen, de professor heeft zijn sleutels vergeten. Ik zie rijen computers, moderne power-point-apparatuur.

Nog drie maanden zal de professor hier lesgeven, dan wordt hij zestig en moet hij met pensioen. Alle mannen zijn in China verplicht op die leeftijd hun werk te staken, vrouwen op hun vijfenvijftigste. „Spreekt u met uw studenten over de Culturele Revolutie?”, vraag ik. „Ik vertel wel eens iets”, reageert hij verbitterd. „Laatst legde ik uit dat ik brandhout moest kappen op een berg, tien kilometer van waar ik woonde. Ik moest het op mijn rug terugzeulen, elke keer weer, er was geen enkel vervoer.” „En hoe reageerden ze?” , vraag ik. Weer die verbeten trek om zijn mond. „Eerst zwegen ze, verbaasd. Toen begonnen ze te lachen. Professor, zeiden ze: u maakt een grapje.”