Blijf ver van de vlakke mondiale smaak voor het exotische – het gevaar van McLiterature

Te vaak wordt gladde en oppervlakkige globalisering verward met kosmopolitisme. Vermijd de valkuilen van de esthetiek van ‘een beetje van dit en een beetje van dat’.

Pankaj Mishra

Geboren in India in 1969. Schrijver, literair criticus en universitair docent. Schreef onder meer ‘The Romantics’ (2001), ‘An End to Suffering: the Buddha in the World’ (2004), ‘A Passage to India’ (2005), ‘Temptations of the West: How to Be Modern in India, Pakistan, Tibet and Beyond’ (2006)

In 1827 zei de 77-jarige Goethe tegen zijn jonge discipel Eckermann dat „nationale literatuur tegenwoordig een nogal inhoudsloos begrip is; het tijdperk van de wereldliteratuur is nabij, en iedereen moet zijn best doen de komst ervan te bespoedigen”.

Zoiets als de wereldliteratuur die de Europeaan Goethe zag aankomen, bestaat vandaag de dag. Met ongekende snelheid circuleren boeken ver van de plaats waar ze zijn ontstaan, zowel in vertaling als in de oorspronkelijke taal.

Goethe was onderdeel van een Duitse literaire cultuur die zich de mindere voelde van die van Frankrijk. En in het algemeen zal iemand uit een marginale cultuur sterker de behoefte voelen om buiten zijn nationale literatuur te treden. Zo is mijn eerste herinnering aan een boek die aan een in rood linnen gebonden exemplaar dat was gedrukt in Engeland: Queen Victoria van Lytton Strachey. Het was halverwege de jaren zeventig, in het huis van mijn familie in een klein stadje in Noord-India, dat honderden kilometers van de dichtstbijzijnde boekwinkel lag.

Ik probeerde Queen Victoria pas te lezen toen ik iets ouder was en het viel me niet mee. Ik raakte in de war van de toon van het boek, die van ironie was doordrenkt, wat, naar ik later begreep, de meest kenmerkende eigenschap ervan was.

De Engelse literatuur was het belangrijkste koloniale voertuig om de oorspronkelijke inwoners te beschaven en te verengelsen. Maar mijn verwarring daarover was, zoals ik later besefte, heel gewoon voor zo ongeveer iedereen in de voormalige gebiedsdelen die probeerde Engels te leren lezen en schrijven.

Wat me pas echt met andere literatuur in aanraking bracht, was niet zozeer de pedagogische campagne van het kolonialisme, als wel de propagandistische rivaliteit van de Koude Oorlog. Ik doel hier op de leescultuur die de Sovjet-Unie in landen als India subsidieerde. Alle grote en enkele kleine steden hadden een Huis voor de sovjetcultuur. Mobiele boekwinkels trokken langs de steden, boden abonnementen op sovjettijdschriften aan en organiseerden boekenbeurzen waar je voor vijf roepie gebonden edities van Russische klassiekers kon kopen (in een tijd waarin 1 dollar gelijkstond aan 18 roepie).

Toen ik eind jaren tachtig naar Delhi verhuisde, raakte ik gefascineerd door de Amerikaanse en West-Europese literatuur. Tegen die tijd stond de Sovjet-Unie op instorten en hadden perestrojka en glasnost het doek laten vallen voor de cultuur die ze in India subsidieerde. India zelf leek zijn socialistische en niet-gebonden vrienden de rug toe te keren. Na jaren van protectionisme en het heilzaam aanhalen van de teugels, stelde het zijn economie voor de wereld open en omarmde het als vanzelf de consumptiecultuur.

Rond die tijd begon ik Indiase schrijvers als Salman Rushdie en Vikram Seth te lezen, die in de jaren tachtig in het Westen werden uitgegeven. Als gevolg van de toenemende welvaart en een ontspannen investeringsklimaat waren in Delhi grotere en beter voorziene boekwinkels gekomen, en ik ontdekte Latijns-Amerikaanse schrijvers als Gabriel García Márquez en Mario Vargas Llosa. Ik las Milan Kundera en Ivan Klíma en werd me ervan bewust dat er niet-blanke Amerikaanse auteurs bestonden, zoals Maxine Hong Kingston.

Volgens Karl Marx betekende wereldwijd kapitalisme dat ook de literatuur zich over de hele wereld zou verbreiden en dat uit die globalisering van de literatuur een wereldliteratuur zou ontstaan. Wat Marx niet besefte, is dat de krachten van het kapitalisme die over de hele wereld voor economische ongelijkheid zorgen, eveneens wereldwijde culturele ongelijkheid tot gevolg hebben: dat mensen in verschillende gebieden op aarde niet in dezelfde mate over toegang tot literatuur zouden beschikken.

Toch lijkt het fair te zeggen dat Marx’ voorspelling gedeeltelijk is uitgekomen. Er is iets ontstaan wat lijkt op zijn idee van ‘wereldliteratuur’. Globalisering (snellere communicatie en handel) houdt in dat teksten relatief gemakkelijk grenzen slechten. Een auteur van literaire romans als García Márquez wordt in de Engelstalige wereld meer gelezen dan willekeurig welke auteur uit Groot-Brittannië of Amerika, en veel meer mensen lezen hem in vertaling dan in het Spaans. Er zijn zelfs schrijvers, bijvoorbeeld Indiase auteurs die in het Engels schrijven, die hun grootste publiek buiten hun vaderland hebben.

Dit literaire verkeer is vooral eenrichtingsverkeer. Buiten de Engelstalige wereld, maar vooral in Europa, bestaat een bewonderenswaardig levendige handel in vertalingen. Toch bevinden de grootste markten zich in de Engelstalige wereld en bepalen de grootstedelijke centra van de Brits-Amerikaanse uitgeverswereld wat ‘wereldliteratuur’ is door alleen die buitenlandse werken uit te geven die tot op zekere hoogte het beeld bevestigen dat binnen Amerika en Groot-Brittannië bestaat van de buitenlandse culturen waarin ze zijn ontstaan. Bovendien neemt het gevaar toe dat er een McLiterature ontstaat die zich aanpast aan een vlakke mondiale smaak voor het exotische.

Hoe moeten we, gegeven het feit dat een hoge mate van marktrealisme dicteert welke niet-westerse teksten in het Westen beschikbaar zijn, deze wereldliteratuur nu definiëren?

Als Indiase auteur die in het Engels schrijft, vind ik het al moeilijk genoeg om de nationale literatuur van India te omschrijven. India kent zestien officiële talen, en de meeste ervan kenden en kennen een vooraanstaande literatuur. De Britten introduceerden het Engels in India . Maar Engels is in India nooit de overheersende literaire taal geweest, en zelfs in de koloniale tijd bloeide de literatuur in Indiase talen als het Tamil.

Een groot deel van de recente westerse loftuitingen aan het adres van Indiërs die in het Engels schrijven, gaat uit van de naïeve veronderstelling dat het de enige soort Indiase literatuur is die er bestaat. Om een voorbeeld te geven van de diversiteit en de reikwijdte: een van de grootste schrijvers in het Urdu is Ismat Chugtai, een telg uit een aristocratische moslimfamilie die in de jaren dertig en veertig samen met veel andere Noord-Indiase schrijvers een fervent communiste werd. Haar leven en haar werk kunnen worden gerekend tot het experimentele en het diverse die de verschillende vormen van Indiase literatuur na de onafhankelijkheid in 1947 kenmerken. In Groot-Brittannië was het verbod op Lady Chatterley’s Lover nog niet opgeheven toen Chugtai haar beroemdste verhaal schreef, dat gaat over homoseksualiteit in een islamitisch gezin. Chugtais verteller in de eerste persoon is een jong, ontvankelijk meisje, en door haar ogen zien we een decadente aristocraat die van jonge jongens houdt en zien we zijn verwaarloosde vrouw, die een lesbische verhouding met haar bediende begint; we zien het vreemde dat zich afspeelt onder de lihaf (‘De deken’, de titel van het verhaal), die het meisje, tot haar schrik en ontzetting, op een nacht oplicht, zodat ze het lesbische paar op heterdaad betrapt.

U.R. Ananthamurthy, die in het Kannada schrijft, een Zuid-Indiase taal, groeide in de jaren vijftig op tijdens één van de eerste landhervormingscampagnes op het Indiase platteland en werd een van de leidende figuren van de Kannadase culturele beweging, die ontstond uit teleurstelling over Nehru’s zucht naar modernisering. Zijn beroemdste werk is Samskara, een roman over de teloorgang van een brahmaanse gemeenschap. Samskara geeft een voorbeeld van een Indiase realiteit die mijlenver af staat van de moderne metropolen waarin Indiase literatuur die in het Engels is geschreven wordt gekocht en gelezen.

Ananthamurthy zegt dat zijn werk wordt gelezen door mensen wier identiteit geworteld is in de streek waar ze wonen en die zich juist om die reden bewust zijn van de subtiele onderscheidingen en nuances van zijn onderwerp, waar een westerse lezer moeite mee zal hebben.

Auteurs die schrijven voor een publiek dat niet vertrouwd is met hun onderwerp, lopen altijd het risico dat ze dingen vereenvoudigen en te veel uitleggen.

Voor veel Indiase schrijvers leek het probleem van culturele vertaalbaarheid pas te zijn opgelost na de publicatie van Middernachtskinderen in 1981. In die roman ontgon Salman Rushdie op vruchtbare wijze het verwarrende multiculturele bewustzijn dat zo vanzelfsprekend is voor de verwesterde bovenlaag van de Indiase middenklasse, die smeltkroes van Brits-Amerikaanse en Indiase grootstedelijke middenklasseculturen.

In Middernachtskinderen en daarna in Schaamte (1984) bediende Rushdie zich van fantastische personages en uitbundig meertalig proza om de postkoloniale geschiedenis van India en Pakistan te schetsen. Velen volgden zijn voorbeeld. Rushdies mijlpaal gaf zelfvertrouwen aan een hele volgende generatie schrijvers in het Engels die uit de hogere middenklasse afkomstig waren; sommigen hadden op dezelfde particuliere kostschool gezeten voordat ze in Engeland en Amerika gingen studeren. De morele dilemma’s van de strijd om de vrijheid, die schrijvers van de generatie vóór hen ertoe had gebracht hun thema’s en onderwerpen in Indiase dorpen en stadjes te zoeken, waren de hunne niet. In plaats daarvan sprak uit hun werk een gevoel dat zich in de tientallen jaren na de onafhankelijkheid voornamelijk had gevormd – of dat was geglobaliseerd – doordat ze aan het moderne Westen waren blootgesteld.

Schrijvers in Indiase talen zijn blijven werken met sjablonen die eerder individueel en introspectief zijn. Rushdie heeft hen aangevallen op hun „kleingeestigheid”, de „voornaamste tekortkoming” van literatuur in Indiase talen.

In romans als De laatste zucht van de moor (1996), De grond onder haar voeten (1999) en Woede (2001) zijn de meeste van Rushdies personages cultureel meerslachtig, bewegen ze zich door Mumbai, Londen, Kerala, Spanje, New York en Fiji en vinden ze zichzelf steeds opnieuw uit in van wat de verteller van De grond onder haar voeten de „onzekerheid van iemand uit de nieuwe tijd” noemt. Zoals Rushdie in 1990 schreef: „Door mengelmoes, allegaartje, een beetje van dit en een beetje van dat, komt het nieuwe in de wereld. Dat is de grote kans die de wereld krijgt door massamigratie, en ik heb geprobeerd die met beide handen aan te grijpen.”

Er schuilen reële en intellectuele gevaren in een esthetiek die te veel afhankelijk is van ‘een beetje van dit en een beetje van dat’, en voor een voorbeeld hoeft men niet verder te zoeken dan Rushdies eigen recente roman Shalimar de clown (2005). Die probeert iets te zeggen over het geweld in Kashmir, probeert zijn internationale lezerspubliek, zoals Rushdie het zelf formuleert, verder te laten kijken dan de ‘krantenkoppen’ over de opstand die sinds 1989 woedt in dit dal van de Himalaya. Maar er komen in de roman nauwelijks inwoners van Kashmir voor met dromen, aspiraties en frustraties die hen ertoe brengen de wapens tegen India op te nemen. Rushdies personages uit Kashmir leven in een pastorale idylle. Nog raadselachtiger is dat er in Rushdies door islamieten gedomineerde dorp niet één moskee staat, al maakt hij veel werk van ‘de vermenging van godsdiensten’ in Kashmir. Maar hoewel de islamieten hindoegoden vereren, maken zij noch hun hindoeïstische landgenoten ook maar even tijd voor Allah.

R ushdies wereldfictie lijkt uitgerekend daar het overtuigendst waar zijn lezers het minst snappen waar het over gaat. Dat lijkt eveneens het probleem, zij het in verschillende mate, met enkele andere veelgeprezen hedendaagse voorbeelden van wereldliteratuur. Het islamitische personage in Witte tanden (2000) van Zadie Smith beweert de achterkleinzoon te zijn – en wordt door Smith als zodanig voorgesteld – van Mangal Pande, de brahmaanse hindoeïstische soldaat die het eerste schot loste tijdens de Indiase opstand tegen de Britten in 1857. De roman zelf noch het grote lezerspubliek lijkt zich van dat probleem bewust te zijn, en lezers vinden het misschien ook nauwelijks van belang. Maar een Indiase lezer van de roman zou geschokt zijn wanneer hij op een islamitische afstammeling van een belijdende hindoeïstische held zou stuiten. .

Doordat het de parallelle levens beschrijft van een in Londen woonachtige vrouw uit Bangladesh en haar zus, die in Dacca woont, werpt Monica Ali’s Brick Lane (2003) complexe vragen op die eerder van ideologische dan van feitelijke aard zijn. Op een gegeven moment overdenkt de Londense Nazneen de verschillen tussen het leven in Londen en dat in Bangladesh en vraagt ze zich af of de – althans in theorie – ruimere mogelijkheden om in de maatschappij waar ze deel van uitmaakt het leven een nieuwe wending te geven noodzakelijkerwijs tot meer geluk leiden.

De roman eindigt er mee dat Nazneen danst in haar kamer op popmuziek; ze scheert haar benen en gaat kunstschaatsen. Ze weigert zelfs haar echtgenoot te volgen wanneer die een nieuw bestaan in Bangladesh opbouwt en geeft er de voorkeur aan als alleenstaande moeder in Londen achter te blijven.

We kunnen ons voorstellen dat romanschrijvers, hoe multicultureel hun achtergrond ook is, hun personages onderwerpen aan de mores van persoonlijke bevrijding – te weten: seksuele of intellectuele rebellie – die de westerse kunstvorm die de roman nu eenmaal is, zijn personages zo ongeveer voorschrijft. Islamitische vrouwen die hun persoonlijke vrijheid ontdekken is een thema dat vandaag de dag vooral in het Westen aanspreekt: het beantwoordt aan bepaalde conventies van het burgerlijke liberalisme. Toch zou een personage als Nazneen volstrekt ongeloofwaardig zijn voor een lezer in Bangladesh.

Dat zou nog niet zo erg zijn als schrijvers uit landen als Iran, India en Noord-Afrika die naar het Westen zijn uitgeweken niet bijna exclusief de taak toebedeeld hebben gekregen om de communicatie tussen culturen te bevorderen. In het Westen worden deze schrijvers vaak beschouwd als literaire woordvoerders van hele samenlevingen, en zelfs van landen en continenten. Maar de meesten behoren tot een kleine minderheid van de verwesterde middenklasse in hun respectievelijke thuislanden en brengen daar de belangen van tot uitdrukking. Dat ze machteloos stonden tegenover de religieuze en politieke autoriteiten in hun land werd uiteindelijk verzacht doordat ze naar het Westen migreerden, hetzij fysiek, hetzij in hun verbeelding en in ideologische zin. Geen wonder dat recente bestsellers als Azar Nafisi’sLolita lezen in Teheran en Brick Lane een vergelijkbare reis beschrijven: de gestage bevrijding, door het lezen van westerse literatuur, van de individualiteit uit beperkingen die haar door de buitenwereld zijn opgelegd, zoals in het autobiografische relaas van Azar Nafisi, of door middel van buitenechtelijke escapades en kunstrijden op de schaats, zoals in de roman van Monica Ali. Dit soort boeken spreekt westerse lezers aan, die gewend zijn om in de grote romans van Europa en Amerika uit de negentiende eeuw te lezen over de strijd die de bourgeoisie – en vooral vrouwen – tegen normen en conventies voeren.

Het moet gezegd dat de gemiddelde hedendaagse westerse lezer weinig kennis heeft van tradities en van geschiedenis die verschillen van die van hem – en soms zelfs niet eens van díé tradities en geschiedenis.

Maar we weten maar al te goed dat er aan de geschiedenis geen ontkomen is. Globalisering en massale immigratie hebben de homogene samenlevingen uit het verleden opengebroken, allereerst in het Oosten en tegenwoordig steeds meer in het Westen. We kunnen ons niet langer verschuilen voor mensen van wie het lot al zo lang aan ons verbonden is en dat we al zo lang bepalen.

We leven in een wereldwijde consumenteneconomie die het idee verheerlijkt dat alle culturen en samenlevingen zich uiteindelijk aan één norm zullen conformeren. Er bestaat geen grotere bedreiging van het idee dat literatuur de menselijke diversiteit uitdraagt dan een dergelijke standaardisering en homogenisering. We moeten oppassen voor de gladde en oppervlakkige globalisering die voor kosmopolitisme doorgaat. Dat vraagt om een herijking van onze eigen veronderstellingen en om de erkenning van culturele verschillen. Want de taak die voor ons ligt, in deze tijd van buitensporige conflicten en geweld, is dringender dan toen E.M. Forster hem voor het eerst in 1920 formuleerde: dat „de naties elkaar moeten begrijpen, en gauw ook; en zonder de tussenkomst van hun regeringen, want het slinken van de aardbol drijft ze in elkaars armen”.

Dit is een ingekorte weergave van de toespraak die Pankaj Mishra woensdag hield bij de opening van het internationaal literatuurfestival Winternachten in Den Haag. De volledige tekst, vertaald door Nico Groen, is na te lezen op www.nrc.nl/opinie.

    • Pankaj Mishra