Zitten op lucht

Otakar Mácel maakte het definitieve boek over stalenbuizenstoelen, het meubel waarvan Mart Stam de pionier was. Mácel determineert ze als in een flora. „Er werd ontzettend vaak gejat in de buizenwereld.”

Otakar Mácel foto TU Delft schreef een boek over stalenbuizenstoelen Otakar Mácel: 2100 metal tubular chairs. A typology. Uitg. Van Hezik-fonds 90 publishers, 264 blz., prijs: 49 euro. TU Delft

Eerste vraag: is uw oude stalenbuizenstoel een tafelstoel, een fauteuil of een chaise longue? Een tafelstoel? Dan valt uw stoel onder categorie I, II of III.

Goed, dan kijken we nu naar de leuningen. Geen leuningen, zegt u? Fijn, dat schiet op: dan moet u in categorie I zijn.

Dan de volgende vraag: heeft uw stoel geen achterpoten, staat hij op sleden of heeft hij drie of vier steunpunten? Geen achterpoten? Dan moet uw stoel is een van de 330 achterpootloze stoelen die in afdeling 1-A van het boek 2100 metal tubular chairs staan afgebeeld.

Dat boek is een flora van stalenbuizenstoelen. Rij na rij vullen 2100 stoelen, als verwante planten, de ruim 200 bladzijden, verdeeld over zeven categorieën. Op elke bladzijde staan er twaalf, onveranderlijk op hetzelfde formaat afgedrukt in zwart-wit. Vaak zijn de verschillen minimaal, soms niet meer dan een knikje hier of een rondinkje daar. Maar wie een paar bladzijden overslaat, ziet als gevolg van een opeenvolging van kleine verschillen, toch heel andere stoelen. De variatie in stalenbuizenstoelen is niet oneindig, maar wel verbazend groot, zeker voor een meubelsoort die wordt geassocieerd met Nieuwe Zakelijkheid en functionalisme.

De samensteller van het boek, Otakar Mácel, heeft het boek gemaakt om buizenstoelen te determineren. Mácel, docent architectuurgeschiedenis aan de Technische Universiteit van Delft, houdt zich al sinds 1975 bezig met stalenbuizenstoelen.

„In de loop van de jaren heb ik een groot archief met plaatjes van buizenstoelen gekregen”, vertelt hij. „Het zijn vaak mottige, gelige plaatjes uit oude fabriekscatalogi. Ik had de behoefte ze te ordenen voor ik dood ga, want wie het archief ongeordend zou vinden, zou er waarschijnlijk niets in zien. Normaal gesproken orden je stoelen op ontwerper of op fabrikant of desnoods op land van herkomst. Maar dan zouden verwante stoelen in het boek vaak ver van elkaar af komen te staan, en zou het voor iemand met een onbekende buizenstoel moeilijk worden die te vinden. Daarom besloot ik ze in te delen op vorm. Zoals botanici, ja, of zoals negentiende-eeuwse kunsthistorici: goed kijken en rubriceren op grond van uiterlijke kenmerken.”

Het boek begint met 1-A-1,

de eerste stoel zonder achterpoten uit 1927, ontworpen door de Nederlandse architect Mart Stam. Over deze en andere, verwante achterpootloze stoelen schreef Mácel in 1992 zijn proefschrift Der Freischwinger. Vom Avantgardeentwurf zur Ware. Een groot deel hiervan ging over de decennia durende juridische strijd over de vraag wie zich de ontwerper van de eerste achterpootloze stoel mocht noemen: Mart Stam of de Bauhaus-docent Marcel Breuer?

„Uiteindelijk heeft een Duitse rechter vastgesteld dat Mart Stam van gasbuizen de eerste achterpootloze stoel heeft gemaakt”, zegt Mácel. „Breuer heeft, niet lang voor zijn dood, het verhaal nog de wereld in geholpen dat hij de eerste achterpootloze stoel al in gedachten had ontworpen en dat Stam met zijn idee aan de haal is gegaan. Maar dat kan niet kloppen, want Stam doceerde aan het Bauhaus toen Breuer daar al vertrokken was. Wel moet ik toegeven dat Breuer de betere stoelenontwerper was. Zijn achterpootloze stoel is toch eleganter dan die van Stam. En later heeft hij nog veel andere mooie buismeubelen ontworpen, Stam niet.”

De eerste achterpootloze stoel was een uitvinding, maar kwam niet uit de lucht vallen. „Achterpootloze stoelen had je in de jaren twintig al in auto’s en vliegtuigen”, vertelt Mácel. „Maar hoe die stoelen waren geconstrueerd, was niet te zien, dat bleef verborgen achter bekleding. Ik geloof dan ook niet dat Stam hier zijn idee voor het ‘zitten op lucht’ vandaan had. Ik denk dat hij meer was geïnspireerd door de uitkragingen die je toen in de moderne architectuur zag. Het ontkennen van de zwaartekracht, gebouwen die lijken te zweven, was iets dat veel aanhangers van het Nieuwe Bouwen mooi vonden.”

De eerste buizenmeubels waren zeldzaam en kwamen alleen voor in specifieke biotopen, zoals de smetteloze interieurs van de witte Nieuwe-Bouwen-villa’s. En natuurlijk in ziekenhuizen en sanatoria, wat voor sommige critici aanleiding was om de machine-achtige stalenbuizenmeubelen ongeschikt te vinden voor gewone, huiselijke omgevingen. Toch raakten buizenmeubels in de jaren dertig tamelijk wijdverbreid.

„Iemand heeft wel eens berekend dat in vijf procent van de woningen op gegeven moment een stalenbuizenmeubel stond”, aldus Mácel. „Dat is veel, als je bedenkt dat stalenbuizenmeubelen altijd veel duurder zijn geweest dan die van hout. Een stoel van Mies van der Rohe kostte in de jaren dertig een maandloon van een arbeider.”

In de jaren dertig waren er dan

ook tientallen fabrikanten van stalenbuizenmeubelen. De stoelen uit 2100 metal tubular chairs zijn afkomstig uit Zwitserland, Oostenrijk, Nederland, Denemarken, Tsjechoslowakije en vele andere Europese landen. Een enkele stoel is gemaakt in de Verenigde Staten. Soms zijn ze ontworpen door beroemde architecten, zoals Ludwig Mies van der Rohe en Le Corbusier, of door bekende ontwerpers, zoals de Nederlander W.H. Gispen. Maar heel vaak staat er in de stalenbuizenstoelenflora achter ontwerper: unknown of anonymous.

„Ik heb onbekend gebruikt als ik er niet achter kon komen wie de ontwerper was”, legt Mácel uit. „En anoniem als de fabrikant zelf uitdrukkelijk geen ontwerper wilde noemen. Vaak gebeurde dat om auteursrechtelijke redenen. Er werd ontzettend vaak gejat in de buizenwereld.’’

Zelfs op de bruine bodem van nazi-Duitsland bleek de stalenbuizenstoel goed te gedijen. „Na de machtsovername van Hitler in 1933 ging de verkoop van stalenbuizenstoelen in Duitsland snel omhoog”, zegt Mácel. „Dat is op het eerste gezicht opmerkelijk. Want de stalenbuizenstoel hoorde toch bij het Nieuwe Bouwen en het Bauhaus en dat was volgens de nazi’s onderdeel van entartete cultuur die niet thuis hoorde in Duitsland. Maar blijkbaar waren de buizenmeubelen in de jaren dertig zo in de mode, dat ze ook in de smaak vielen bij nazi’s. Het heeft, denk ik, te maken met de algemene bewondering voor auto’s en andere technische dingen in die tijd. Er bestaat zelfs een foto van Hitler op een stalenbuizenstoel van de firma Mauser.”

Mode speelde ook een rol bij de vormgeving van de stalenbuizenstoelen. De evolutie van de stalenbuizenstoel ging razendsnel: uit de strenge, hoekige stoel van Stam ontwikkelde zich in korte tijd meubels die steeds meer gebogen, zwierige vormen kregen. „Stam noemde de barokke stalenbuizenmeubels laatdunkend buizenmacaroni”, zegt Mácel. „Van sommige stoelen zijn de lijnen nauwelijks te volgen, maar er zijn ook heel mooie macaronistoelen, zoals die van Dieckmann.

„Je kunt stoelen natuurlijk niet vergelijken met gebouwen, maar de stijl van de buizenmeubelen ontwikkelde zich op een heel klassieke manier, die lijkt op die van bijvoorbeeld de gotiek. De vroege gotiek was sober en streng, de late gotiek wervelend en rijk versierd. Alleen nam dit bij de gotiek eeuwen in beslag, en bij de buizenstoelen maar vijftien jaar.”

De jongste buizenmeubelen

in 2100 metal tubular chairs zijn van 1940. Toen werd de productie van buizenmeubelen in veel landen gestaakt, omdat staal een schaars goed werd wegens de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog hervatten bedrijven als Thonet en Gispen de productie, maar de bloeitijd van het buizenmeubel was voorbij: het meubel van stalen buizen werd verdrongen door andere soorten. „In de jaren dertig kwamen al de meubels van gebogen hout op”, legt Mácel uit. „En na de oorlog hadden ontwerpers als Eames en Bertoia meer belangstelling voor draadstaal dan voor buizen als materiaal voor meubels. Later kwamen daar nog stoelen van kunststof bij.”

Begin jaren zestig hielden de meeste fabrikanten de productie van buizenmeubelen dan ook voor gezien. Maar al minder dan tien jaar later werden er replica’s van oude, beroemde buizenmeubelen vervaardigd. Vooral vanaf de jaren tachtig bleek de grond weer vruchtbaar voor buizenmeubels.. „Ik denk dat buizenstoelen, nieuw gemaakt of echt oud, nog wel even populair zullen blijven”, zegt Mácel over de terugkeer van de buizenstoel. „Gispen maakt nu alweer jarenlang replica’s van zijn oude buizenstoelen. En binnenkort worden er zelfs weer een paar macaronistoelen van de Nederlandse ontwerper Schuitema uit de jaren dertig in productie genomen.”

Otakar Mácel: 2100 metal tubular chairs. A typology. Uitg. Van Hezik-fonds 90 publishers, 264 blz., prijs: 49 euro.